Beoordelingskader verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW)

Het verlaten van de plaats van een verkeersongeval (ook wel doorrijden na aanrijding genoemd) is strafbaar gesteld in artikel 7 WVW:

“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten."

Strekking verbod verlaten plaats verkeersongeval

Het verbod op het verlaten van de plaats van het verkeersongeval is opgenomen in de Wegenverkeerswet 1994 ter bescherming van het belang van de verkeersveiligheid, het leven, de lichamelijke gezondheid en de integriteit van de andere verkeersdeelnemers, en in het bijzonder ook hun eigendom.
Het artikel beoogt met name veilig te stellen dat betrokkenen na een verkeersongeval in staat worden gesteld de veroorzaker aansprakelijk te kunnen stellen voor de geleden schade.

Betrokken bij verkeersongeval

Met het element verkeersongeval doelt de wetgever op vier onderscheiden gevallen die voorheen werden genoemd in artikel 30 WVW 1935. Het gaat om de volgende situaties:
1. Een botsing met een voertuig
2. Een aanrijding met een voertuig
3. Een overrijding met een voertuig
4. Een handeling ter voorkoming van een botsing, aanrijding, of overrijding met een voertuig

De formulering "degene die betrokken is bij een verkeersongeval" duidt op bestuurders en andere verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en ruiters, die betrokken zijn bij het verkeersongeval. Ook degene die geen bestuurder of (actieve) verkeersdeelnemer is, kan aangemerkt worden als "betrokkene" in de zin van art. 7 WVW 1994. De strekking van dit wetsartikel is immers dat zoveel mogelijk wordt bevorderd dat degene aan wie door een ongeval schade is toegebracht, kan beschikken over de voor de civielrechtelijke afwikkeling van de schade benodigde gegevens van de veroorzaker van de schade.

Van betrokkenheid bij een verkeersongeval in de zin van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, WVW1994 is in een geval waarin het gaat om een bestuurder van een motorrijtuig sprake, indien dat motorrijtuig rechtstreeks bij het verkeersongeval is betrokken. Is die bestuurder tevens veroorzaker van het ongeval, dan kan hij niet alleen gelden als te zijn betrokken bij dat ongeval, maar ook als degene door wiens gedraging dat ongeval is veroorzaakt ( HR 04-10-2011, LJN BQ4431, HR 28-9-2004, LJN AP1215).

Ten aanzien van degene die na het ongeval het stuur overneemt van de bij het ongeval betrokken bestuurder en vervolgens wegrijdt zonder dat de identiteit kenbaar is gemaakt, wordt in de MvT opgemerkt dat deze niet onder het bereik van art. 7 WVW 1994 valt, maar dat hem in sommige gevallen toch laakbaar gedrag kan worden verweten (zie de conclusie van de AG in HR 20-03-2007, LJN AZ7080).

Een passagier die passief meerijd in een motorrijtuig dat betrokken raakt bij een verkeersongeval, is geen betrokkene bij een verkeersongeval, en is daardoor niet verplicht om op de plaats van het verkeersongeval te blijven (Hof 's-Gravenhage, 11 juli 1996, NJ 1997, 14 en HR 4 oktober 2011, NbSr 2011, 311).
Ook het hof Den Bosch heeft eerder geoordeeld dat gelet een passagier die de plaats van het ongeval heeft verlaten niet kan worden aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 7 WVW 1994 (Hof Den Bosch, 24-07-2007, LJN BB2825). Volgens het Hof in dit arrest zou die betrokkenheid van de passagier wellicht anders hebben gelegen zodra sprake is van een of meer van de volgende situaties waarbij de passagier

a. aanwijzingen met betrekking tot het rijden aan de bestuurder geeft;
b. op andere wijze zich bemoeit met het rijden van de auto;
c. voordat de bestuurder wegreed na het ongeval met de bestuurder heeft besproken dat hij en/of zij zouden weggaan zonder de gegevens in de zin van artikel 7 WVW1994 te verstrekken;
d op andere wijze de bestuurder heeft gestimuleerd om weg te rijden.

Het moet gaan om rechtstreekse betrokkenheid bij een verkeersongeval, of het veroorzaakt hebben van een verkeersongeval. In beide situaties is het de bestuurder verboden op de plaats van het verkeersongeval te verlaten. Wanneer door iemands gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, terwijl die daar niet zelf bij betrokken is,  kan die toch als veroorzaker worden aangemerkt, bijv. in de situatie dat een ander moest uitwijken om een verkeersongeval te voorkomen, en daardoor in botsing met een ander kwam (HR 1 oktober 2002, NJ 2002, 572).

Met de formulering 'door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt’ wordt aangegeven dat degene tot wie de bepaling zich richt, niet zelf direct betrokken behoeft te zijn bij het verkeersongeval. Er is geen direct contact tussen voertuigen, doch aan het verkeersongeval ligt wel (verkeers)gedrag ten grondslag, toe te schrijven aan de veroorzaker. Daarbij valt te denken aan een bestuurder die ten onrechte geen voorrang verleent waardoor een voorrangsgerechtigde bestuurder moet uitwijken ten gevolge waarvan hij tegen een ander voertuig botst, of de bestuurder die in strijd met een uitdrukkelijk keerverbod keert waardoor achter hem een kettingbotsing ontstaat. Ook de veroorzaker heeft dan een civielrechtelijke relatie ten opzichte van het ongeval.

Wie was de bestuurder?

In zaken waarbij alleen een kenteken is genoteerd, moet natuurlijk eerst worden bekeken of kan worden vastgesteld wie de bestuurder is geweest. Alleen een kenteken is in dat kader onvoldoende. De politie kan dit ondervangen door op grond van artikel 165 WVW, voor het verhoor, een vordering te doen opgave te doen van de naam- en adresgegevens van de bestuurder, maar we zien vaak dat de politie dit vergeet. Als u eenmaal bent uitgenodigd voor het verhoor, is het te laat voor de politie; dan hoeft u hierop geen antwoord te geven. Neem daarom in dit soort zaken altijd een advocaat mee naar het politieverhoor. Op dit onderdeel valt goed te winnen!

> Advocaat bij politieverhoor?

Wetenschap verkeersongeval

In de delictsomschrijving is opgenomen dat degene die de plaats van het ongeval verlaat "weet of redelijkerwijs moet weten" dat hij de gevolgen uit artikel 7, eerste lid 1, onder a of b, WVW 1994 heeft veroorzaakt. Dit brengt voor de politie altijd mee dat in het verhoor van de verdachte zeer specifiek aandacht moet zijn voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich van het verkeersongeval bewust is geweest. Maar ook uit andere bewijsmiddelen dan de verklaring van de verdachte kan de bewustheid van de verdachte worden afgeleid. Te denken valt dan aan getuigen, die op enige afstand een geluid, duidend op een ongeval, hoorden of getuigen die zagen dat de bestuurder in de richting keek van de plaats waar dat geluid vandaan kwam.

Art. 7 WVW heeft het daarvoor geldende art. 30 van de oude WVW vervangen. De jurisprudentie ten aanzien van die bepaling hield in dat van overtreding daarvan slechts sprake was indien werd bewezen dat de door- of wegrijdende bestuurder zich in meerdere of mindere mate ervan bewust moet zijn geweest dat een ongeval was ontstaan met een of meer van de genoemde gevolgen. Blijkens de wetsgeschiedenis is het door de Hoge Raad in die bepaling ingelezen subjectieve element in art. 7 WVW 1994 tot uitdrukking gebracht met de woorden “naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden' (Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3 (MvT), p. 72-73, zie voorts ECLI:NL:PHR:2015:2473).

Vervolgingsuitsluitingsgronden

In artikel 184 WVW is een vervolgingsuitsluitingsgrond opgenomen. Wanneer de bestuurder, die de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten, zich binnen 12 uur na het verkeersongeval uit eigen beweging meldt bij de politie en zijn identiteit en die van zijn motorrijtuig bekend maakt, is hij niet langer strafbaar en kan hij niet worden vervolgd wegens overtreding van artikel 7 WVW. Indien het Openbaar ministerie toch vervolgt, leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging.
Van vrijwillige melding is echter geen sprake indien de verdachte weet dat de politie hem zoekt, voordat hij zich bij de politie hem meldt (HR 27-3-1990, VR 1990,82 en HR 24 september 2002, NJ 2002, 630).
Ook het "vrijwillig" willen melden, wanneer de politie voor de deur staat, valt niet onder de uitsluiting van de strafbaarheid.

De vervolgingsuitsluitingsgrond geldt NIET voor die gevallen waarbij het slachtoffer in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (artikel 7, eerste lid, onder b WVW 1994). 

Een tweede situatie voor de uitsluiting van de strafbaarheid is wanneer de bestuurder op de plaats van het verkeersongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en dat van zijn motorrijtuig. Dit geldt echter alleen voor de situatie als bedoeld in sub a. Het is nooit toegestaan de plaats van het ongeval te verlaten indien een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

Van belang is in ieder geval dat er voldoende gelegenheid heeft bestaan tot vaststelling van de identiteit van de bestuurder en diens motorrijtuig door de gelaedeerde of voor iemand die geacht wordt de belangen van de gelaedeerde waar te nemen (HR 16 december 1980, NJ 1981, 431). Bepalend is alleen dat de gelegenheid is geboden. Indien door de ander er geen gebruik van wordt gemaakt, kan dit niet leiden tot een veroordeling voor artikel 7 WVW (HR 30 juni 2009, NJ 2009, 369).

Het is ook toegestaan wanneer iemand anders, namens de bestuurder, voldoende gelegenheid biedt tot vaststelling van de identiteit van de bestuurder en dat van het motorrijtuig (Hof Arnhem, 17 augustus 2010, VR 2011, 21).

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden