In hulpeloze toestand achterlaten bij verlaten plaats ongeval wordt snel aangenomen

Het in hulpeloze toestand achterlaten in de zin van artikel 7 lid 1 onder b WVW wordt snel aangenomen, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452. In dit arrest ging het om een automobilist die werd verdacht van het verlaten plaats ongeval en het daarbij een fietser in hulpeloze toestand had achtergelaten. Door de advocaat werd betoogd dat het in hulpeloze toestand achterlaten betekent dat de ander niet meer op eigen kracht de hulp van een ander zou kunnen inroepen, maar deze opvatting is volgens de Hoge Raad niet juist. In dit arrest was het volgens de Hoge Raad voldoende dat de fietser door de botsing was weggeslingerd, dat zijn fiets totaal was vernield, dat de fietser flinke pijn had in zijn linkerschouder, en dat hij vervolgens door een onbekende is begeleid naar een woning in de buurt.

Uitleg Hoge Raad mbt in hulpeloze toestand achterlaten

De Hoge Raad overwoog in het arrest het volgende ten aanzien van het bestanddeel ‘in hulpeloze toestand achterlaten’:

“In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de fietsende [betrokkene] door de botsing met de auto van de verdachte ten val is gekomen, dat de fiets van [betrokkene] ten gevolge van de botsing is weggeslingerd en totaal is vernield, dat [betrokkene], die bij het opstaan een flinke pijn in linkerschouder en linkervinger voelde, na de aanrijding op een stootbalk in de berm van de weg is gaan zitten en dat zij vervolgens door een onbekende begeleid is naar haar woning, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte [betrokkene] in een “hulpeloze toestand” als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994 heeft achtergelaten, niet blijk van een onjuiste uitleg van dat begrip.”

Conclusie A-G mbt in hulpeloze toestand achterlaten

De A-G mr. Bleichrodt gaat in zijn conclusie nog iets dieper in op de materie rond het ‘in hulpeloze toestand achterlaten’:

“Art. 7, eerste lid, WVW 1994 luidt als volgt:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
Art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 is opgenomen in paragraaf 1 van hoofdstuk II van de Wegenverkeerswet 1994 betreffende “verkeersgedrag” en “gedragsregels” (in het verkeer) en richt zich tot degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt.5 De bepaling strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken de daarbij gewonde personen waar mogelijk onmiddellijk hulp biedt.
18. De memorie van toelichting (Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 69-70 (Stb. 1994, 475) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wegenverkeerswet 1994, houdt ten aanzien van art. 6 WVW 1994, welke bepaling nadien is vernummerd tot art. 7 WVW 1994, onder meer het volgende in:

“Artikel 6
Artikel 6 bevat het zogenaamde vluchtmisdrijf; het dient ter vervanging van artikel 30, eerste lid, van de huidige Wegenverkeerswet (het tweede lid is ondergebracht in artikel 173 van het wetsvoorstel; het wordt hierna besproken).
In de praktijk blijkt de huidige bepaling op een enkel punt na goed toepasbaar. Vandaar dat de kern in de voorgestelde bepaling is overgenomen.
(…)
De kern van de bepaling
Evenals in artikel 30 van de Wegenverkeerswet is geregeld, mag ook volgens de voorgestelde bepaling degene die bij een verkeersongeval is betrokken of anderszins een ongeval heeft veroorzaakt, in twee gevallen de plek des onheils niet of niet zonder meer verlaten.
In het eerste geval mag hij zulks slechts als hij, indien bij dat ongeval een ander is gedood of gewond dan wel schade aan een ander is toegebracht, behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij met een motorrijtuig reed, tevens die van dat motorrijtuig.
In het tweede geval mag hij de plaats van het ongeval niet verlaten indien een ander die bij dat ongeval is gewond, daardoor in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
Het betreft hier dus twee totaal verschillende gevallen.
In het eerste dient degene die ten gevolge van een ongeval is gedupeerd in de gelegenheid te worden gesteld desgewenst de verzekering(en) van de andere bij het ongeval betrokkene te kunnen aanspreken. Het gaat hier primair om de WA-verzekering. De gedupeerde heeft daartoe gegevens van die ander nodig: zijn naam, adres etc. alsmede voor zover door die ander met een motorrijtuig is gereden, gegevens van dat motorrijtuig (met name het kenteken indien het motorrijtuig kentekenplichtig is).
Aangetekend zij dat die mogelijkheid van het vaststellen van de identiteit los staat van de schuldvraag. Naderhand kan blijken dat het aanspreken van de verzekering van de tegenpartij ongegrond is, aangezien de gedupeerde volledig zelf aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. De beoordeling van die schuldvraag is echter irrelevant als het ongeval net heeft plaatsgevonden. Betrokkenen dienen dan zo veel mogelijk over en weer de gegevens uit te wisselen opdat de afwikkeling van de schade etc. naderhand op een behoorlijke wijze kan geschieden.
De verplichting de ander in de gelegenheid te stellen tot het verzamelen van de benodigde gegevens wordt dermate essentieel geacht dat het verzaken daarvan reeds bij de totstandkoming van artikel 30 van de Wegenverkeerswet als misdrijf strafbaar werd gesteld. Er is thans des te meer aanleiding dit te continueren gegeven de fors gegroeide mobiliteit, met name met motorrijtuigen, in de loop der decennia.
Het tweede geval betreft de plicht een ander bij te staan indien hij ten gevolge van het ongeval ernstig is gewond. Evenals in het eerste geval is het hier irrelevant of en in hoeverre degene die bij een ongeval is betrokken daaraan schuld draagt. Ook indien naderhand zou worden vastgesteld dat de gewonde zelf volledig voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk is, is het niet verantwoord die gewonde aan zijn lot over te laten.
Gelet op het karakter van het voorschrift behoeft het geen verbazing te wekken dat het schenden van deze verplichting van meet af aan als misdrijf strafbaar is gesteld. Vanzelfsprekend wordt voorgesteld hierin geen verandering te brengen.”
19. Uit de wetsgeschiedenis volgt aldus dat het niet relevant is of de betrokkene schuld draagt aan het ongeval en daarmee door zijn eigen verkeersgedrag heeft bijgedragen aan het ontstaan van het letsel. Ook wanneer naderhand wordt vastgesteld dat de hulpbehoevende zelf volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, is het niet verantwoord deze aan zijn lot over te laten. Wel dient te worden vastgesteld dat er voor het slachtoffer een hulpeloze toestand is ontstaan, waardoor het slachtoffer afhankelijk is van de hulp van anderen.
20. Rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderdeel van art. 7 WVW 1994 is schaars. In HR 2 februari 1988, DD 88.218 had een ongeval plaatsgevonden waarbij het slachtoffer zodanig was getroffen dat hij ’s nachts een kwartier lang op het wegdek bleef liggen, onder zodanige omstandigheden dat een automobilist over hem heen reed. De Hoge Raad liet het veroordelend arrest van het hof in stand. Daarbij bleef de aard van het letsel in het midden. De omstandigheid dat het letsel kennelijk zodanig was, dat het slachtoffer ten gevolge daarvan midden in de nacht op het wegdek was blijven liggen, (nog) niet voorzien van hulp, was toereikend voor de bewezenverklaring van de hulpeloze toestand.
21. De term ‘hulpeloze toestand’ duidt op het ontbreken van hulp. Als het slachtoffer geen hulp behoeft, kan niet worden gesproken van een hulpeloze toestand. Hetzelfde geldt indien aan het slachtoffer reeds adequate hulp wordt geboden, bijvoorbeeld doordat zich een arts of verpleger over het slachtoffer ontfermt. Het gaat mij echter te ver aan te nemen dat het bewijs dat de verdachte het slachtoffer in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten niet is te leveren indien het verkeersongeval in een stad of in een dorpskern heeft plaatsgevonden, omdat er dan bijna altijd getuigen van het ongeval zijn, die zich kunnen ontfermen over het slachtoffer. Voor straffeloosheid is naar mijn mening onvoldoende dat de bij een verkeersongeval betrokkene er gemakshalve op vertrouwt dat omstanders voor het slachtoffer zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat die hulp op dat moment daadwerkelijk wordt geboden. Een dergelijke visie staat haaks op de ratio van de strafbaarstelling, waarbij van de bij het ongeval betrokkene wordt gevergd dat hij zich zelf bekommert om het hulpbehoevende slachtoffer. Ik sluit mij dan ook graag aan bij de volgende woorden van mijn voormalig ambtsgenoot Wortel:
“De toevallige, althans van wil en gedrag van de verdachte onafhankelijke, omstandigheid dat – naar achteraf kan worden geconstateerd – derden het nodige hebben gedaan om een slachtoffer van de nodige hulp te voorzien kan derhalve de strafbaarheid van handelen in strijd met het in art. 7, eerste lid onder b WVW 1994 gegeven verbod niet opheffen.” (Conclusie voorafgaand aan HR 10 april 2007, nr. 00249/06, niet gepubliceerd)

< Terug naar Meer informatie verlaten plaats ongeval
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden