Toestemming bij bloedonderzoek alcohol

Anders dan bij de ademanalyse is voor een bloedonderzoek eerst toestemming van de verdachte vereist. De toestemming wordt in de praktijk al gauw aangenomen. Een voorbeeld van een zaak waarbij werd aangenomen dat geen toestemming was verleend is HR 16 september 1985, NJ 1986, 232).

De verdachte moet dus meewerken om de voor het onderzoek vereiste hoeveelheid bloed te verkrijgen. Wanneer hij tijdens de bloedafname zijn arm wegtrekt weigert hij medewerking. (HR 2 juli 1990 VR 1991, 7)

Redelijk vermoeden rijden onder invloed

Alleen ten aanzien van een persoon die wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994 kan de procedure strekkende tot een onderzoek van diens bloed kan worden toegepast, welke procedure aanvangt met het vragen van diens toestemming daartoe door een opsporingsambtenaar (vgl. HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3993, NJ 2006/447). Het vragen van die toestemming behoort daarmee wel tot de procedure strekkende tot een onderzoek van het afgenomen bloed doch niet tot het in art. 8 WVW 1994 bedoelde onderzoek als zodanig. Dit betekent dat art. 359a Sv het toetsingskader vormt voor de gevolgen te verbinden aan het mogelijk onbevoegd vragen van bedoelde toestemming aan een persoon die niet wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994. Juridisch betekent dit dat de rechter vervolgens moet gaan kijken welk rechtsgevolg aan een verzuim van de vormen moet worden gesteld. Dat kan strafvermindering of bewijsuitsluiting zijn. Soms kan de rechter ook enkel het verzuim vaststellen, zonder dat hier een gevolg aan wordt verbonden. In zoverre gaan de gevolgen van het zonder redelijk vermoeden van rijden onder invloed afnemen van bloed minder ver dat bij het niet naleven van de waarborgen waarmee het alcoholonderzoek is omkleed.

Als er ondanks het ontbreken van het redelijk vermoeden van schuld later alsnog toestemming wordt gegeven door de verdachte dekt dit in wezen het vormverzuim, zoals we zien in de uitspraak van de Hoge Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616 waarin de Hoge Raad de uitspraak van het hof citeert:

"Blijkens de inhoud van het proces-verbaal misdrijf bestond ten tijde van het eerste directe contact met de verdachte geen verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verbalisant [verbalisant] heeft dit ter terechtzitting van het hof ook bevestigd. Ook toen bij de verdachte bloed werd afgenomen of toen hem de volgende dag om toestemming werd gevraagd, bestond geen verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat de hulpofficier van justitie niet bevoegd was toestemming te geven tot het afnemen van bloed en dat het aan de verdachte vragen om toestemming tot een onderzoek van het bloed onbevoegd is gedaan.
Dit vormverzuim leidt echter niet tot de gevolgtrekking dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Het voorschrift dat alleen ten aanzien van een persoon die wordt verdacht van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 de procedure strekkende tot een onderzoek van diens bloed kan worden toegepast strekt ertoe te waarborgen dat niet lichtvaardig tot een bloedonderzoek wordt overgegaan. Dat geen sprake was van een verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet staat echter niet in de weg aan de gevolgtrekking dat het bloedonderzoek zelf op juiste wijze is uitgevoerd en daarmee de juistheid van het resultaat van het onderzoek is gewaarborgd.
Het hof stelt vast dat, zonder dat sprake was van een verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, bij de verdachte bloed is afgenomen voor onderzoek. Daarmee is zonder wettelijke grondslag een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte zonder diens toestemming. Dit vormverzuim leidt echter niet tot bewijsuitsluiting. Het hof acht daarvoor van belang dat weliswaar zonder toestemming van de verdachte bij hem bloed is afgenomen, maar dat hij de volgende dag toestemming heeft gegeven tot onderzoek van het bloed en dat door het vormverzuim geen inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op een eerlijk proces. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang (HR 4 januari 2011, BM6673). Voorts acht het hof van belang dat door de hulpofficier van justitie niet willekeurig is gehandeld door het geven van toestemming tot het afnemen van bloed. De hulpofficier van justitie J.A.M. Vodeb heeft namelijk ter terechtzitting van het hof verklaard dat, gelet op het sporenbeeld, hij het een vreemd, onverklaarbaar ongeval vond en dat bij hem daardoor het vermoeden rees dat er sprake was van het gebruik van alcohol of een andere stof die de rijvaardigheid kon verminderen.
Gelet op de aard en de ernst van het vormverzuim zal het hof daaraan wel het rechtsgevolg van strafvermindering verbinden."

Het probleem doet zich hier echter voor dat wanneer de verdachte geen toestemming geeft, hij zich mogelijk schuldig maakt aan een weigering van het verlenen van medewerking aan het bloedonderzoek. Hierbij is van belang dat de verdachte vaak, op het moment dat de toestemming wordt gevraagd niet precies kan inschatten of er een redelijk vermoeden van schuld heeft bestaan. Dit zal met name bij verkeersongevallen het geval zijn. Van belang is dat dit eerst wordt uitgevraagd. Als de verdachte toestemming geeft, moet dat in ieder geval welbewust en goed geïnformeerd toestemming heeft gegeven voor alcoholonderzoek aan het bij hem de dag tevoren afgenomen bloed, als bedoeld in art. 163, negende lid, tweede volzin, WVW 1994.

Het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt geschetst in de conclusie van de A-G bij dit arrest:

"Naar vaste rechtspraak is van "een onderzoek" als bedoeld in art. 163 WVW 1994 slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort ingevolge art. 163, negende lid, WVW 1994 dat een onderzoek van het afgenomen bloedmonster niet plaatsvindt dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daarvoor te geven. Indien de rechter tot het oordeel komt dat bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het de facto reeds verrichte onderzoek van het bloed niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Er heeft immers geen “onderzoek” in de zin van art. 8, tweede lid, onder b, WVW 1994 plaatsgehad. Art. 359a Sv is hier niet van toepassing. (HR 14 maart 1978, ECLI:NL:HR:1978:AD6940, NJ 1978/385, m.nt. Van Veen; HR 21 september 2010, LJN BM4412, NJ 2010/519; HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1721, NJ 2011/580)
Alleen ten aanzien van een persoon die wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994 kan toepassing worden gegeven aan de procedure van art. 163 WVW 1994 strekkende tot een onderzoek van zijn bloed (c.q. van zijn urine of van door hem uitgeademde lucht). Deze procedure vangt aan met het vragen van toestemming tot dat onderzoek door een opsporingsambtenaar. Indien vaststaat dat jegens de betrokkene, toen hem bedoelde toestemming werd gevraagd, geen verdenking bestond, dan is dat verzoek onbevoegd gedaan. De sanctionering van een dergelijk vormverzuim wordt bestreken door art. 359a Sv. (HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3993, NJ 2006/447)"

Geen consultatiebijstand advocaat

De verdachte aan wie toestemming wordt gevraagd om toestemming te geven voor het bloedonderzoek, heeft geen recht op consultatiebijstand van een advocaat vooraf (HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY1220)

Weigering medewerking bloedonderzoek

Wanneer de verdachte geen toestemming verleent tot bloedonderzoek volgt een bevel medewerking bloedonderzoek door een OvJ, een Hovj of een andere bevoegde politieambtenaar (politieambtenaar in schaal 8 of hoger). Het bevel brengt een verplichting tot medewerking mee. Het is niet langer mogelijk om een beroep te doen op bijzondere geneeskundige redenen en ook is als alternatief niet langer een urineonderzoek mogelijk. Volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Medisch Genootschap (NMG) zijn geen aandoeningen bekend waarbij bloedafname bij een verdachte niet mogelijk of onverantwoord is, maar waarbij betrokkene wel een voertuig kan rijden en mag rijden. Medische bezwaren die de verdachte aanvoert tegen een bloedafname zijn om die reden niet meer door de arts of verpleegkundige te honoreren. Een arts kan echter wel oordelen dat om gezondheidsredenen van de verdachte, die tevens slachtoffer is bij een verkeersongeval (tijdelijk) geen bloed kan worden afgenomen. Indien daarvan sprake is dient de opsporingsambtenaar daarover een verklaring van de arts in het proces-verbaal op te nemen, inhoudende de reden voor het niet afnemen van bloed. Indien bloed om gezondheidsredenen na 1,5 uur wordt afgenomen is de analyse van het bloed op de aanwezigheid van drugs niet mogelijk, maar op de aanwezigheid van alcohol wel. Dat verschil is verklaarbaar. Het NFI kan namelijk alcoholgebruik anders dan drugsgebruik wel terugrekenen tot het moment van afname van het bloed.Het bevel mag alleen worden gegeven bij een vermoeden van rijden onder invloed van alcohol, drugs, of medicatie (HR 27 februari 2007, NJ 2007, 156).

De officier van justitie kan bij het niet verlenen van toestemming ook besluiten om de verdachte te vervolgen op grond van het weigeren om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan het alcoholonderzoek.

Verdachte buiten bewustzijn

Indien de verdachte buiten bewustzijn is, mag zijn bloed worden afgenomen, waarbij dan achteraf om toestemming moet worden gevraagd. Weigering kan onder zulke omstandigheden worden gegrond op de niet-naleving van de voorschriften voor het bloedonderzoek (HR 12 januari 1999, NJ 1999, 230). Ook hier geldt dat bij het niet verlenen van toestemming zonder geldige reden de officier van justitie kan vervolgen wegens weigering.

Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, vindt bloedafname niet eerder plaats dan na verloop van een uur na het eerste directe contact dat een opsporingsambtenaar met hem heeft gehad, leidend tot de verdenking van het rijden onder invloed van alcohol of drugs (art. 16 lid 1 Besluit Alcoholonderzoeken).

Indien de verdachte komt te overlijden zonder dat hij in staat is geweest zijn toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd, tenzij de officier van justitie hiertegen bezwaren maakt (art. 16 lid 2 Besluit Alcoholonderzoeken).

Geen toestemming verleend

Wanneer het bloedmonster wordt gebruikt zonder dat toestemming is verleend, is er sprake van een schending van artikel 11 Grondwet:. Dit artikel waarborgt dat een ieder zich kan beroepen op de onaantastbaarheid van zijn lichaam, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Deze grondwettelijke bescherming van de lichamelijke integriteit dient ook door een behoorlijk handelende overheid te worden geëerbiedigd. Ingeval zonder toestemming een inbreuk wordt gemaakt op deze lichamelijke integriteit, bijvoorbeeld door middel van het afnemen van bloed, en niet is gebleken van feiten en omstandigheden die deze inbreuk rechtvaardigen, dan is het gebruik van de resultaten van het daarop volgende bloedonderzoek naar voorlopig oordeel onder alle omstandigheden ontoelaatbaar."

> Meer informatie toestemming bloedonderzoek alcohol en drugs

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden