Vrijspraak bij voorrangsfout art. 6 WVW

Voorbeelden van vrijspraak bij art. 6 WVW ondanks dat de verdachte een voorrangsfout heeft gemaakt, zoals het niet voorrang verlenen aan een voetganger bij een zebrapad of bij het afslaan.

Juridisch kader

Een aanmerkelijke mate van de onoplettendheid en/of onzorgvuldigheid kan worden gezien in het gebrek aan inspanning van de verdachte om de door hem gemaakte verkeersfout te voorkomen. Dat leidt tot vragen als: heeft de verdachte zichzelf voldoende gelegenheid geboden om te zien of hij veilig de weg op kon rijden, heeft de verdachte rekening gehouden met eventuele dode hoeken, heeft hij met het oog op een dode hoek in zijn spiegel(s) links over zijn schouder gekeken.

Bij de omstandigheid ‘geen voorrang verlenen’ moet worden gedacht aan verwijtbaar niet opletten (HR 17 januari2006, NJ 2006, 3030). Er moet tenminste sprake zijn van schuld in de zin van aanmerkelijke of grove schuld of roekeloosheid. Waar mogelijk dient het opsporingsonderzoek aanknopingspunten te bieden die voldoende bewijs leveren voor deze strafverzwarende omstandigheid.(zie bijv. HR 29-4-2008, LJN BD0709; HR 24 juni 2008, LJN BC 7914; HR 29 april 2008, LJN BD0544).
In een aantal arresten bepaalde de Hoge Raad dat: ‘Het enkele niet zien van een andere weggebruiker, hoewel deze wel zichtbaar moet zijn geweest onvoldoende is voor aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden voorzichtigheid (HR 27 mei 2008, LJN BC7860 en HR 28 oktober 2008, LJN BE9800, HR 29 april 2008, LJN BD0544).

In verkeersdrukte brommer over het hoofd gezien; wel gekeken op fietspad

Rb. Breda 23 juni 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BI9333
Verdachte gaf aan dat hij vanaf de Bredaseweg linksaf de Bleukweg in wilde slaan. Op dat moment was er op de Bredaseweg filevorming op de zich in tegengestelde richting van verdachte bevindende rijbaan. Op enig moment ontstond er een opening tussen de auto’s, waardoor verdachte gas gaf om de kruising over te kunnen gaan. Daarbij is verdachte eerst tussen de auto’s doorgereden, vervolgens langzaam het tussenstuk opgereden en vervolgens heeft ze na het passeren van de haaientanden opgetrokken. Verdachte heeft aangegeven dat zij, toen zij op het tussenstuk was, heeft gekeken of er zich verkeer op het fietspad bevond maar zij heeft geen verkeer waargenomen. Vervolgens hoorde zij een klap en zag zij een man over haar motorkap vliegen. Daarna zag zij dat ze een tweetal scooters had aangereden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte weliswaar een voorrangsfout had gemaakt, maar dat zoals hierboven genoemd het enkele niet waarnemen van de bromfietsers onvoldoende is voor het aannemen van schuld. Er zijn in het dossier verder onvoldoende aanwijzingen te vinden dat de weergave van verdachte, met name t.a.v. het kijken naar het verkeer op het fietspad, niet juist zou zijn. Daarom vindt de rechtbank dat schuld niet bewezen kan worden verklaard.

Geen aanvullende verkeersfout bij geen voorrang verlenen voetgangersoversteekplaats

Rb. Rotterdam 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8059
In deze casus had verdachte geen voorrang verleend bij een voetgangersoversteekplaats, waardoor een ongeval werd veroorzaakt. De rechtbank gaat er op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting echter vanuit dat de verdachte tijdens de aanrijding in een rustige gemoedstoestand verkeerde, niet te hard heeft gereden, niet onder invloed was van alcohol en dat zij niet op een andere manier wed afgeleid. Ook is er vastgesteld dat de verkeerssituatie ter plaatse overzichtelijk was en dat de verdachte ter plaatse bekend was. Verdachte zegt dat ze het slachtoffer eenvoudigweg niet heeft gezien. De rechtbank oordeelt dat verdachte, door het niet opmerken van het slachtoffer bij de voetgangersoversteekplaats, een verwijt kan worden gemaakt, maar dat dit enkele verwijt onvoldoende is voor het aannemen van schuld in de zin van art. 6 WVW.

Verdachte reed stapvoets en heeft voor afslaan gekeken voor ander verkeer

Rechtbank Zwolle, 31 januari 2012, LJN: BV7573
Het voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval niet is komen vast te staan dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte heeft stapvoets gereden en heeft vlak voor het afslaan gekeken of er ander verkeer was waarvoor hij moest stoppen. De enkele omstandigheid dat verdachte een bromfietser, aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Enkel niet stoppen bij kruispunt onvoldoende

HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544
"Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet volgen dat verdachte, zoals is bewezenverklaard “aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden"
Het enige houvast voor het aanmerkelijke van de onoplettendheid zou dan gevonden kunnen worden in het feit dat de verdachte, toen hij keek of hij veilig de weg op kon rijden, zijn auto niet tot stilstand heeft gebracht maar stapvoets is blijven rijden. Voor de hand ligt die gedachte niet. Zoals blijkt uit het bestaan van de borden B6 "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" en B7 "Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" gaat de wetgever er niet vanuit dat steeds wanneer voorrang dient te worden verleend de voorrangsplichtige bestuurder zijn voertuig tot stilstand brengt. Een bord B7 was in het onderhavige geval niet geplaatst, wel waren als equivalent van bord B6 haaientanden op het wegdek aangebracht. Bovendien: de verdachte had vrij uitzicht en heeft niet vertrouwd op zijn spiegels maar over zijn linker schouder gekeken. Of de verdachte zich daarmee niet voldoende gelegenheid heeft verschaft om zich ervan te vergewissen dat hij veilig de weg op kon rijden laat het Hof in het midden.

Verzuim bij voorrang verlenen rotonde

Rb. Limburg 25 februari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:1577
De verdachte werd vrijgesproken ondanks een voorrangsfout die hij begaan had. Het ging hierbij om een automobilist die een rotonde opreed, terwijl juist op dat moment een motorrijder zich op diezelfde rotonde bevond. Hierdoor ontstond een ongeval waardoor de motorrijder is verongelukt. Hoewel de verdachte verzuimd had om voorrang te verlenen, was er in dit geval geen sprake van dood door schuld. Nu niet is gebleken dat de verdachte werd afgeleid door zaken als telefoneren of andere zaken dan het besturen van zijn auto en voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte goed heeft gekeken en met gepaste snelheid de rotonde is genaderd en opgereden, kon uit de bewijsmiddelen namelijk niet worden afgeleid dat van zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag sprake is geweest.

Bij afslaan racefietser over het hoofd gezien

Rb. Zutphen 23 oktober 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BY0850
In deze zaak wilde de verdachte linksaf slaan bij een kruispunt. Verdachte dacht dat de weg voor hem vrij was, maar op het moment dat hij had opgetrokken kwam er vanuit de tegengestelde richting een racefietser aan. Verdachte had de fietser voorrang moeten verlenen aangezien dit recht doorgaand verkeer betrof, toch verzuimde hij dit en kwam hij in botsing met de fietser. De rechtbank oordeelde dat de verdachte weliswaar een voorrangsfout heeft begaan, maar verder reed verdachte niet te hard, heeft hij gekeken voordat hij afsloeg en had hij bovendien zijn richtingaanwijzer naar links aanstaan. Verder zijn er aanwijzingen dat de fietser zelf met een behoorlijke snelheid, namelijk met meer dan 30 km/h, kwam aangefietst. Ook gelet op de botsschade kan daarom worden gesteld dat de fietser met zo’n snelheid reed dat het niet gek is dat verdachte hem te laat heeft opgemerkt. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van art. 6 WVW.

Aanrijding voetgangersoversteekplaats; verdachte lette op naderende auto van rechts

LJN: BL5993, Rechtbank Rotterdam, 9 februari 2010
Allereerst stelt de rechtbank vast dat de verdachte als een verstandig verkeersdeelnemer heeft geanticipeerd op het feit dat hij mogelijk geen voorrang zou krijgen van een taxibusje dat van rechts kwam. Zodra de verdachte zich ervan had vergewist dat dat taxibusje hem voorrang zou geven, heeft de verdachte zijn aandacht weer gericht op de verkeerssituatie voor hem en is hij weer opgetrokken. Met een snelheid van 43 à 45 kilometer per uur reed hij nog altijd langzamer dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. Dat de verdachte gas heeft bijgegeven is niet onbegrijpelijk, ervan uitgaande dat hij tot op dat moment niemand had gezien op de voetgangersoversteekplaats en ook niemand had gezien die aanstalten maakte om daar te gaan oversteken. De rechtbank merkt in dit verband op dat de personenauto die de verdachte tegemoet kwam hem naar alle waarschijnlijkheid het zicht op de scootmobiel met [naam slachtoffer] heeft ontnomen. De scootmobiel reed vlak achter deze personenauto snel de voetgangersoversteekplaats over. De verdachte was door de verschijning van de scootmobiel verrast en heeft dadelijk krachtig geremd. Het verwijt dat verdachte mogelijk kan worden gemaakt - wellicht ware het verstandiger geweest als hij helemaal geen gas had bijgegeven nu hij een zebrapad naderde – is niet van dien aard dat er sprake is van strafrechtelijk relevante schuld. Er is geen grond voor het oordeel dat de verdachte zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Bij afslaan motorrijder over het hoofd gezien

LJN: BN0417, Gerechtshof Leeuwarden, 28 juni 2010
Verdachte wordt vrijgesproken van overtreding van art. 6 WvW94. Het hof is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte de motorrijder aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet kan volgen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van art. 6 WvW94. Verdachte wordt veroordeeld wegens overtreding van art. 5 WvW94 tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis. Het hof is van oordeel dat, nu verdachte is gaan keren met zijn auto op een weg waar een maximumsnelheid van 80 km/h gold en hij hierbij met zijn auto dwars op de weg stil is gaan staan, verdachte concreet gevaar heeft veroorzaakt.

Afgeleid door kennis; aanrijding bij voetgangersoversteekplaats

Rb. Rotterdam 26 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9579
Verdachte reed op de Coolsingel te Rotterdam, toen hij een kennis zag. Daardoor keek hij naar links, waardoor hij, toen hij op dat moment een voetgangersoversteekplaats naderde, zijn aandacht niet op de weg had. Hierdoor heeft hij een voetganger te laat gezien, waardoor er een aanrijding volgde die de voetganger zwaar lichamelijk letsel heeft bezorgd. De rechtbank oordeelde dat er weliswaar een moment van onoplettendheid was geweest, maar dat uit verdere omstandigheden niet is gebleken dat de verdachte te hard reed of onder invloed was. De rechtbank oordeelt dan ook dat een enkel moment van onoplettendheid geen aanmerkelijk onvoorzichtig handelen in de zin van art. 6 WVW oplevert.

Geen voorrang fietser bij oversteekplaats - te hoge snelheid staat niet vast

Rechtbank Noord-Nederland, 27 juli 2017,ECLI:NL:RBNNE:2017:3134
Verdachte heeft met zijn voertuig een voor hem bekende route gereden. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Uit een door het NFI uitgevoerd onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van camerabeelden van een bewakingscamera met zicht op de Groningerstraat, blijkt dat het voertuig van verdachte heeft gereden met een gemiddelde snelheid van 85 km/u. De afstand tussen het op de camerabeelden zichtbare deel van de Groningerstraat en de plaats van het ongeval bedraagt ongeveer 96 meter.
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat verdachte met (veel) te hoge snelheid de oversteekplaats voor fietsers is genaderd maar dat de exacte snelheid van het voertuig ten tijde van het ongeval onvoldoende is komen vast te staan. Daarbij dient ook in aanmerking genomen te worden dat verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het naderen van de oversteekplaatsen heeft bij-geremd en het gas heeft losgelaten.
De rechtbank overweegt voorts dat de enkele omstandigheid dat verdachte de fietsster niet tijdig heeft gezien, hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag had kunnen en moeten aanpassen, onvoldoende is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden