Vrijspraak art. 6 WVW ondanks rijden onder invloed alcohol of drugs

Voorbeelden van uitspraken waarbij er geen causaal verband is aangenomen tussen het rijden onder invloed en het veroorzaken van het verkeersongeval. Met andere woorden: het ongeval zou ook hebben plaatsgevonden wanneer de verdachte nuchter was geweest.

Vaststelling gebruik alcohol of drugs op zichzelf onvoldoende voor art. 6 WVW

Hoge Raad, 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616
Opmerking verdient dat de vaststelling van uitsluitend dergelijk gebruik - hetwelk blijkens art. 175.3 WVW 1994 zelfstandig tot een aanzienlijke verhoging van het strafmaximum van art. 6 WVW 1994 leidt - doorgaans onvoldoende zal zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994, zoals dit ook geldt voor de in art. 175.2 WVW 1994 opgenomen bijzondere schuldvorm roekeloosheid.

Enkele omstandigheid onder invloed van amfetamine is onvoldoende

Rechtbank Noord-Nederland, 6 juni 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2823
Aan verdachte zijn geen andere concrete omstandigheden verweten dan de omstandigheid dat hij onder invloed verkeerde van amfetamine, van welke omstandigheid niet is gebleken in hoeverre deze invloed heeft gehad op en bepalend is geweest voor het rijgedrag van verdachte en het ontstaan van het ongeval.
Anders dan bij overtreding van artikel 8, eerste lid, en de strafverzwarende omstandigheid zoals bedoeld in artikel 175 derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) waarbij het gaat om de vaststelling of een bestuurder niet tot besturen in staat geacht moet worden, is voor het vaststellen van schuld aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW van belang of sprake was van feitelijk gevaarlijk of niet aan de verkeerssituatie aangepast rijgedrag, dan wel van andere concrete feiten of omstandigheden waaruit de conclusie kan worden getrokken dat sprake was van gevaarzettend rijgedrag. De enkele conclusie van het NFI luidende dat de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed was, vormt weliswaar een aanwijzing voor gevaarzettend rijgedrag, maar zonder andere bijkomende concrete feiten of omstandigheden is die onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vrijspraak art. 6 en 5 WVW omdat toedracht ongeval onduidelijk blijft

Gerechtshof Arnhem, 18 november, 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BV9373
In het bijzonder overweegt het hof daartoe dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over hoe de feitelijke toedracht van het verkeersongeval is geweest. Daardoor kan niet buiten redelijke twijfel een antwoord worden gegeven op de vraag of verdachtes verkeersgedrag, met name het rijden onder invloed en het niet tijdig tot stilstand brengen van de auto, heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding en of dat rijgedrag in dit geval de tenlastegelegde aanmerkelijke schuld van verdachte aan het verkeersongeval oplevert.
Voor wat betreft het rijden onder invloed ontbreekt naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewijs voor het causale verband tussen dat rijden onder invloed en het verkeersongeval. Het door de politie verrichte onderzoek geeft immers geen antwoord op de vraag in hoeverre het bij verdachte vastgestelde alcoholgehalte diens concrete rijgedrag heeft beïnvloed in relatie tot het verkeersongeval.
Ten aanzien van het niet tijdig tot stilstand brengen van de auto acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot de conclusie te kunnen komen dat verdachte daarmee niet heeft voldaan aan datgene wat van hem redelijkerwijs verwacht mocht worden. Daarvoor moet allereerst worden vastgesteld in hoeverre het voor verdachte voorzienbaar was dat het slachtoffer van het ongeval, waarmee verdachte op dezelfde weg en in dezelfde rijrichting reed, voor z'n auto linksaf zou slaan en vervolgens in hoeverre het voor verdachte in die situatie dan nog mogelijk was om zijn auto tijdig tot stilstand te brengen. Een getuige heeft weliswaar verklaard dat het slachtoffer voor het ongeval achterom heeft gekeken, maar meer houdt de verklaring van die getuige niet in, terwijl daartegenover de verklaring van verdachte staat dat het slachtoffer 'onverhoeds' is afgeslagen. Nu het door de politie verrichte onderzoek, ook op dit punt onvoldoende aanknopingspunten biedt om de bewijswaarde van de beide tegenstrijdige verklaringen te kunnen beoordelen, kan onvoldoende worden uitgesloten dat de verklaring van de verdachte overeenkomstig de waarheid is.
(..)
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Meer in het bijzonder overweegt het hof ter zake de onder 1 subsidiair cumulatief tenlastegelegde overtreding van artikel 5 WVW 1994 dat daarvoor, om dezelfde reden als bij de onder 1 primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 WVW 1994, onvoldoende duidelijkheid bestaat over de feitelijke toedracht van het verkeersongeval. Dat geldt zowel voor het vereiste causale verband tussen het rijden onder invloed en het ontstane gevaar, de mate waarin het voor verdachte voorzienbaar was dat het slachtoffer van het ongeval, waarmee verdachte op dezelfde weg en in dezelfde rijrichting reed, voor z'n auto linksaf zou slaan, als voor de mate waarin het voor verdachte mogelijk was om vervolgens zijn auto nog tijdig tot stilstand te brengen. Bij die stand van zaken kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat het verkeersgedrag van verdachte gevaar of hinder heeft veroorzaakt of daartoe geëigend was.

Rijden onder invloed is enkele verkeersfout; meer nodig voor artikel 6 WVW

LJN: BM5259, Rechtbank Almelo, 21 mei 2010
De rechtbank is, zoals hiervoor overwogen, van oordeel dat verdachte onder invloed van alcohol zijn auto heeft bestuurd. Verdachte heeft daarmee een verkeersfout begaan. Dit gegeven op zichzelf is, bij ontbreken van concrete nadere gegevens, onvoldoende om dit als schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te kwalificeren. Met name nu, zelfs in de technische analyses, geen specifieke oorzaak voor het ongeval is aan te wijzen. Daarom is niet zonder enige twijfel vast te stellen dat het feit dat verdachte onder invloed van alcohol was, de oorzaak is geweest van het ongeval. De rechtbank is van oordeel dat verdachte weliswaar een verkeersfout heeft begaan, maar dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen verdachtes gedraging en het plaatsvinden van het ongeval. Het ongeval is redelijkerwijs niet toe te rekenen aan een gedraging van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Dodelijk verkeersongeval na alcohol, maar voetgangers waren slecht zichtbaar

Rechtbank Zeeland West-Brabant, 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5016
Een personenauto is in aanrijding gekomen met twee voetgangers en een hond. Een van de voetgangers is overleden. Bestuurder had te veel gedronken. Weg was niet verlicht, voetgangers liepen op de weg en droegen donker gekleurde kleding, auto voerde normaal licht en reed niet te hard. Geen causaal verband kunnen vaststellen tussen ongeval en drankgebruik: waarschijnlijk is dat een bestuurder die niet onder invloed was geweest de aanrijding ook niet had kunnen voorkomen. Wel veroordeling voor rijden onder invloed.

Verdachte had ook zonder alcohol het ongeval niet kunnen voorkomen

Rechtbank Zeeland West-Brabant, 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5016
Vrijspraak artikel 6 WVW. Een personenauto is in aanrijding gekomen met twee voetgangers en een hond. Een van de voetgangers is overleden. Bestuurder had te veel gedronken. Weg was niet verlicht, voetgangers liepen op de weg en droegen donker gekleurde kleding, auto voerde normaal licht en reed niet te hard. Geen causaal verband kunnen vaststellen tussen ongeval en drankgebruik: waarschijnlijk is dat een bestuurder die niet onder invloed was geweest de aanrijding ook niet had kunnen voorkomen. Wel veroordeling voor rijden onder invloed.

> Terug naar overzicht

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden