Vrijspraak art. 6 WVW ondanks rijden door rood licht

Als uitgangspunt heeft wel te gelden dat het rijden door rood licht is aan te merken als een zodanige ernstige verkeersfout dat dit een aanmerkelijke mate van schuld oplevert dat voor een bewezenverklaring van art. 6 WVW is vereist, maar in de jurisprudentie zien we ook enkele uitzonderingen op deze hoofdregel.

Zie conclusie A-G Vellinga bij HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822:
"Negeert een bestuurder het rode verkeerslicht of verleent hij geen voorrang, dan levert dit - vooropgesteld dat hij dit niet opzettelijk doet - een sterke aanwijzing op dat hij vermijdbaar heeft gedwaald ten aanzien van een omstandigheid waarmee hij juist niet onbekend had mogen zijn. Op deze wijze kan de innerlijke onoplettendheid of onachtzaamheid van de dader worden afgeleid uit zijn uiterlijk gedrag. Niettemin zijn er legio factoren denkbaar die aan een behoorlijke waarneming van die omstandigheid in de weg kunnen staan. Het rode verkeerslicht kan voor de bestuurder - die ter plaatse niet bekend is - schuil zijn gegaan achter een geparkeerde vrachtauto, het kan zijn dat de bestuurder door enig plotseling opgekomen lichamelijk gebrek niet tot behoorlijk waarnemen in staat was. 

Rood verkeerslicht niet gezien, wel snelheid geminderd; geen schuld 6 WVW

Rechtbank Alkmaar, 26 mei 2011, LJN: BR4087
De verdachte heeft verklaard dat hij, op het moment waarop hij de kruising met de Smuigelweg naderde, zijn snelheid heeft geminderd tot ongeveer 50 km/u. Uit de verkeersongevalsanalyse is gebleken dat de botssnelheid van het voertuig van verdachte ongeveer 43 km/u bedroeg. Ter plaatse was een maximumsnelheid van 80 km/u toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het minderen van zijn snelheid in zoverre voldoende voorzichtigheid heeft betracht. Evenmin is sprake van andere omstandigheden waaruit onvoorzichtig verkeersgedrag kan worden afgeleid.
Ten slotte constateert de rechtbank dat, naast het niet waarnemen van het voor hem geldende verkeerslicht, niet is gebleken van enige andere onoplettendheid aan de zijde van verdachte. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van het ongeval niet was afgeleid en dat zijn aandacht op de weg was gericht.
De rechtbank is van oordeel dat het enkele niet waarnemen van het voor hem geldende rode verkeerslicht weliswaar als een ernstige verkeersfout kan worden aangemerkt, maar dat dit onder bovengenoemde omstandigheden niet de conclusie kan dragen dat verdachte aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig heeft gereden.
Daarbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het verkeerslicht vanuit de rijrichting van verdachte niet reeds van verre zichtbaar is.

Tegenstrijdige verklaringen - onvoldoende bewijs door rood rijden

Rechtbank Oost-Brabant, 28 juli 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4032
Verdachte is met haar auto een fietsersoversteekplaats opgereden en heeft daarbij een overstekende fietser aangereden. Zowel voor automobilisten als voor overstekende fietsers, werd het verkeer ter hoogte van die fietsersoversteekplaats door verkeerslichten geregeld. In het dossier bevinden zich verklaringen van getuigen die op zichzelf genomen het wettig bewijs leveren dat verdachte door rood is gereden. De rechtbank wijst op de verklaring van een verkeersmedewerker van de gemeente Boxtel op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verkeerslichten ten tijde van het ongeval goed werkten en dat zij in de beide autorichtingen gelijktijdig dezelfde kleur uitstraalden, in samenhang bezien met de verklaring van getuige [getuige] die in tegenovergestelde autorichting van verdachte reed en heeft verklaard dat het verkeerslicht rood was. Echter, in het dossier bevinden zich ook verklaringen van getuigen die zich op de fietsersoversteekplaats hebben bevonden op grond waarvan voornoemd bewijs in twijfel moet worden getrokken. Een proces-verbaal behelzende een analyse van het verkeersongeval is niet voorhanden, zodat geen objectief bewijs voorhanden is op grond waarvan de toedracht van het ongeval kan worden vastgesteld. Nu getuigen elkaar tegenspreken acht de rechtbank niet overtuigend bewezen dat verdachte door rood is gereden. De rechtbank heeft verder nog onderzocht of verdachte, indien het verkeerlicht groen voor haar was, een andere verkeersfout valt te verwijten. Het strafdossier bevat daarvoor echter geen enkele aanwijzing en het verhandelde ter terechtzitting evenmin. Een en ander leidt tot de conclusie dat verdachte van zowel het primair ten laste gelegde misdrijf van art. 6 WVW als van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van art. 5 WVW zal worden vrijgesproken.

 

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden