Vrijspraak art. 6 WVW bij tijdelijke onoplettendheid
Voorbeelden waarbij vrijspraak is gevolgd voor art. 6 WVW ondanks een tijdelijke onoplettendheid:
2,5 seconden op navigatie kijken is slechts kortdurende oplettendheid
Rechtbank Noord-Holland, 14 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8618
Uit het onderzoek ‘Zicht’ dat door verbalisant [naam verbalisant] is uitgevoerd2, blijkt dat een liggend slachtoffer op de weg vanaf 55,56 meter afstand zichtbaar moet zijn geweest als de auto van de verdachte - zoals hij heeft verklaard - het dimlicht aan had. Afhankelijk van de snelheid waarmee is gereden, heeft de verdachte volgens dit onderzoek [slachtoffer] kunnen zien tussen de 2,5 seconden (bij een snelheid van 80 km per uur) en 4 seconden (bij een snelheid van 50 km per uur). Omdat de verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft zien liggen, maar op zijn navigatie keek, heeft hij - afhankelijk van de gereden snelheid - tussen de 2,5 en 4 seconden niet op de weg voor hem gelet.
De snelheid waarmee de verdachte vlak voor, en op het moment van de aanrijding heeft gereden is dus van doorslaggevende betekenis voor de vraag hoe lang [slachtoffer] voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest. Het politieonderzoek heeft echter niet exact kunnen vaststellen hoe hard de verdachte op de plek van het ongeval reed. De verdachte heeft verklaard dat hij tussen de 50 en 60 km per uur heeft gereden, maar in ieder geval niet harder dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km per uur. Gelet op de onduidelijkheid over de exacte snelheid die de verdachte reed, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen hoe hard hij heeft gereden. Daarom kan de rechtbank niet anders dan ervan uitgaan dat de verdachte op het moment waarop [slachtoffer] is aangereden, tussen de 50 en 80 km per uur heeft gereden. Dit betekent dat de rechtbank er rekening mee moet houden dat de verdachte in elk geval en mogelijk niet langer dan 2,5 seconden niet op de weg voor hem heeft gelet.
Van de gemiddelde verkeersdeelnemer kan niet worden verwacht dat hij gedurende het rijden ononderbroken zijn aandacht op de weg voor hem houdt. In het algemeen wordt het tot een normale verkeershandeling gerekend als een bestuurder onder het rijden naar de navigatie kijkt. Dit geldt ook in het geval als de bestuurder ter plaatse onbekend is, zoals de verdachte. In deze zaak komt daarbij dat de aanrijding midden in de nacht heeft plaatsgevonden, dat het helder weer was en dat er weinig verkeer op de weg aanwezig was. Gelet op de inrichting van de weg hoefde de verdachte geen voetgangers of fietsers op de weg te verwachten. Tijdens het rijden op de plek net voor het ongeval was er dan ook geen bijzondere oplettendheid vereist. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de verdachte door 2,5 seconden zijn aandacht op de navigatie te richten, verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Er is dus geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 Wvw.
Afgeleid door kennis; aanrijding bij voetgangersoversteekplaats
Rb. Rotterdam 26 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9579
Verdachte reed op de Coolsingel te Rotterdam, toen hij een kennis zag. Daardoor keek hij naar links, waardoor hij, toen hij op dat moment een voetgangersoversteekplaats naderde, zijn aandacht niet op de weg had. Hierdoor heeft hij een voetganger te laat gezien, waardoor er een aanrijding volgde die de voetganger zwaar lichamelijk letsel heeft bezorgd. De rechtbank oordeelde dat er weliswaar een moment van onoplettendheid was geweest, maar dat uit verdere omstandigheden niet is gebleken dat de verdachte te hard reed of onder invloed was. De rechtbank oordeelt dan ook dat een enkel moment van onoplettendheid geen aanmerkelijk onvoorzichtig handelen in de zin van art. 6 WVW oplevert.