Vuilniswagen overrijdt fietser omdat troittoirspiegel niet juist is afgesteld; toch vrijspraak art 5 en 6 WVW

De verdachte in deze zaak was met een vuilniswagen rechts afgeslagen, waarbij hij aan een recht doorgaande fietsster geen voorrang heeft verleend ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met de fietsster. De fietsster is overleden. De rechtbank komt tot een vrijspraak voor zowel artikel 5 als 6 WVW ondanks dat wordt vastgesteld dat de troittoirspiegel niet is afgesteld conform de Regeling Voertuigen, waardoor de dode hoek rechts naast de vuilniswagen groter dan bij een juiste afstelling. De rechtbank kon namelijk niet vaststellen dat de verdachte de fietser wel zou hebben gezien wanneer de spiegel wel juist zou zijn afgesteld. Hem kon geen verwijt worden gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt:
“Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en, zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.
De rechtbank stelt vast dat uit onderzoek verricht door verbalisanten die werkzaam zijn bij de forensische opsporing van de politie Oost-Brabant, is gebleken dat de trottoirspiegel aan de rechterzijde van de vuilniswagen waarin verdachte reed, niet conform de Regeling Voertuigen was afgesteld. Hierdoor was de dode hoek rechts naast de vuilniswagen groter dan bij een juiste afstelling het geval zou zijn geweest.
De vraag is of de verkeerd afgestelde trottoirspiegel er de oorzaak van was dat verdachte de fietsster niet heeft gezien. Daarbij is van belang hoe de vuilniswagen en de fietsster ten opzichte van elkaar gepositioneerd stonden. De tekening met betrekking tot de zichtvelden is een reconstructie en slechts een benadering van de werkelijke situatie kort voor het plaatsvinden van het ongeval.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de exacte posities van de vuilniswagen en de fietsster thans niet meer vast te stellen. Op basis van het uitgevoerde forensische onderzoek en de waarnemingen door getuigen kan de exacte positionering van de vuilniswagen en de fietsster niet worden gereconstrueerd. Verder heeft verdachte ter zitting verklaard dat de vuilniswagen meer naar links stond dan op de tekening met betrekking tot de zichtvelden is aangegeven. Zulks in verband met de te nemen bocht naar rechts. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Gelet hierop kan thans niet worden vastgesteld dat verdachte de fietsster, mevrouw [slachtoffer], had gezien als de trottoirspiegel wel conform de Regeling Voertuigen was afgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de verkeerde stand van de trottoirspiegel en het verkeersongeval.
Verdachte heeft voorts ter zitting verklaard dat hij als eerste bij de stopstreep stond en dat er zich op dat moment naast hem nog geen ander verkeer bevond. Het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Verder heeft verdachte naar eigen zeggen alvorens op te rijden goed in de spiegels en door de ramen gekeken. Het betrof een druk kruispunt en hij handelde voorzichtig. Hij heeft daarbij de fietsster niet gezien.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de door verdachte gemaakte verkeersovertreding, te weten het naar rechts afslaan en daarbij geen voorrang verlenen aan de recht doorgaande fietsster, in deze omstandigheden geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert, hoe ernstig de gevolgen daarvan ook zijn geweest. Dit betekent dat verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken.
Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 overweegt de rechtbank als volgt. Om te komen tot bewezenverklaring van – kort gezegd – het veroorzaken van gevaar of hinder voor het overige verkeer moet worden vastgesteld dat sprake is van de overtreding van een verkeersregel en dat het daardoor veroorzaakte gevaar concreet en voorzienbaar was voor verdachte.
Zoals hiervoor is overwogen, was sprake van een door verdachte begane verkeersovertreding. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat het voor verdachte voorzienbaar was dat dit een concreet gevaar zou opleveren. Immers, de rechtbank heeft geoordeeld dat de fietsster mevrouw [slachtoffer] niet te zien was voor verdachte en dat hem ten aanzien daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Ter zitting heeft verdachte nog verklaard dat de trottoirspiegel zodanig was afgesteld dat de bestuurder van de vuilniswagen het grootst mogelijke zicht had. De raadsman heeft in dit kader aangevoerd dat de door verdachte bedienbare trottoirspiegel in de uiterste stand stond en dat de trottoirspiegel alleen met behulp van gereedschap nog in een andere stand kon worden gezet. Dit was alleen te doen op het bedrijf. De individuele chauffeur was daar niet toe in staat. Ter zitting is niet gebleken dat dit anders is. Van schuld, vereist voor bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is geen sprake, zodat de rechtbank verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde zal vrijspreken.”

< Terug naar Meer informatie gevaarlijk rijgedrag
< Terug naar Meer informatie verkeersongeval door schuld
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden