Vrijspraak na verzuim wijzen op consultatierecht advocaat voor stellen vragen over betrokkenheid verkeersongeval
We zien het best vaak gebeuren dat bij het verlaten van de plaats van het ongeval de politie bij de kentekenhouder van de auto aan de deur gaan met de bedoeling om vragen te stellen over diens betrokkenheid bij een verkeersongeval. Op zich kan dat wel, maar de politie is verplicht om een verdachte dan te wijzen op het zwijgrecht en ook het recht op consultatie van een advocaat. Dat volgt uit HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1781. In die zaak strafte de Hoge Raad een verzuim van de politie om de verdachte op deze rechten te wijzen af. De Hoge Raad overwoog het volgende:
“Wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor. Op grond van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt als verdachte aangemerkt de persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:853.)
Op grond van artikel 27c lid 2 Sv moet aan de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling worden gedaan van het in artikel 28 lid 1 Sv gewaarborgde recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Als dat voorschrift niet is nageleefd, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt dat zo’n vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in beginsel moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van die mededeling niet in zijn verdediging is geschaad. (Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368.)