Vrijspraak art. 6 en 5 WVW dodelijk verkeersongeval fietser na afslaan auto

Het kan iedereen overkomen. U slaat linksaf met uw auto, en ziet daarbij een fietser over het hoofd. In de zaak die speelde bij een uitspraak van de rechtbank Zutphen, van 23 oktober 2012, ECLI:NL:RBZUT:2012:BY0850 had de bestuurder van de auto echter de fietser wel gezien, maar hij dacht dat hij nog wel eerder kon afslaan. Dat bleek later een miscalculatie, met ernstige gevolgen: De fietser overleed aan zijn verwondingen. Ondanks het feit dat de verdachte een verkeersfout had gemaakt, door de fietser geen voorrang te verlenen, sprak de rechtbank de verdachte toch vrij vanwege de bijzondere verkeerssituatie, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop bestuurder links af wilde slaan en de snelheid waarmee de fietser reed.

Pleidooi advocaat

De raadsman had ook aangevoerd dat zijn cliënt vrijgesproken moest worden. Hij bepleitte dat zijn cliënt weliswaar voorrang had moeten verlenen, maar dat de fietser  met zo’n hoge snelheid op zijn racefiets reed, dat verdachte daarmee geen rekening kon of hoefde te houden, aldus de raadsman.

Geen schuld

De rechtbank volgde de advocaat in dit verweer en overwoog:

Om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 is vereist dat het rijgedrag van betrokkene roekeloos of zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt naar vaste jurisprudentie dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: proces-verbaal VOA)1 blijkt dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden in Didam op het kruispunt Wilhelminastraat en de Kardinaal de Jonglaan/Torenstraat, gelegen binnen de bebouwde kom. De ter plaatse toegestane maximum snelheid voor de personenauto bedroeg 30 km/h. Het betrof een verkeersongeval bij daglicht op een droog wegdek en het was droog weer. Verdachte was bestuurder van de personenauto (Ford Fiësta) die over de Wilhelminastraat reed, komende uit de richting van het centrum van Didam en links afslaande in de richting van de Kardinaal de Jonglaan. Tijdens het naar links afslaan, kwam de personenauto in botsing met een fietser die de personenauto tegemoet kwam en rechtdoor de Wilhelminastraat wilde vervolgen. De fietser reed op een (race)fiets van het merk Trek met, blijkens de foto’s in het proces-verbaal VOA, een tijdritframe en -stuur. De personenauto had botsschade aan de rechterzijde, halverwege de carrosserie. Blijkens evengemelde foto’s waren het rechtervoorportier van de 3-deurs personenauto (hatchback), de daklijst en de zijkant van het dak van die auto beschadigd.

Uit een proces-verbaal van bevindingen2 komt naar voren dat de richtingaanwijzer van de personenauto van verdachte voor linksaf knipperde.

[slachtoffer]3, het slachtoffer, heeft verklaard dat hij op zijn racefiets fietste. Hij heeft op een gegeven moment een fietser die voor hem fietste, ingehaald. Vlak daarna zag hij voor hem een grijskleurig voorwerp.

Getuige [getuige]4 heeft verklaard dat hij met een personenauto over de Wilhelminastaat te Didam reed. Hij reed in de richting van het centrum met een snelheid van 30 km per uur. Hij zag dat hij op een gegeven moment werd ingehaald door een wielrenner. De wielrenner fietste hem rechts voorbij. De snelheid van de wielrenner moest hoger dan 30 km per uur zijn geweest omdat hij zelf al met zijn auto 30 km per uur reed. Hij zag dat een lichtblauwe Ford Fiësta hem tegemoet kwam rijden. Deze Ford kwam dus uit de richting van het centrum en sloeg vervolgens linksaf de Kardinaal de Jonglaan in. Vervolgens ging de Ford op de kruising stil staan. De wielrenner botste tegen het bijrijdersportier van de Ford. De wielrenner viel op de grond, aldus de getuige.

Verdachte5 heeft bij de politie verklaard dat hij linksaf wilde slaan. Hij keek of er uit de tegengestelde richting geen verkeer aan kwam. Hij zag enkel twee fietsers en hij had de indruk dat hij linksaf kon slaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij linksaf wilde slaan, maar rustig heeft gereden omdat de weg die hij wilde inrijden, De Kardinaal de Jonglaan, een verkeersdrempel heeft. Omdat hij boodschappen in de auto had staan, is verdachte zacht gaan rijden om voorzichtig de verkeersdrempel over te gaan.

Gelet op het voorgaande moet de vraag beantwoord worden of sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid van de zijde van verdachte. Verdachte heeft geen voorrang verleend aan een fietser terwijl hij daartoe verplicht was. Verdachte reed echter niet te hard, heeft gekeken voordat hij afsloeg, zag twee fietsers en had de indruk dat hij linksaf kon slaan en hij heeft richting aangegeven. Er zijn aanwijzingen dat de fietser harder dan 30 km/h heeft gereden. Getuige [getuige] heeft immers verklaard dat hij 30 km/h reed en dat de fietser hem heeft ingehaald. Dit strookt met de verklaring van het slachtoffer dat hij opeens een grijskleurig voorwerp zag. Ook gelet op de botsschade van de auto terwijl verdachte afsloeg en zacht reed, is aannemelijk dat de fietser met zo’n hoge snelheid heeft gereden dat, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, niet gezegd kan worden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.”

Geen gevaarzetting; vrijspraak artikel 5 WVW

En ook voor artikel 5 WVW komt de rechtbank tot een vrijspraak:

“Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 overweegt de rechtbank dat dit artikel als minimumeis stelt dat sprake moet zijn van een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag. Gelet op de hierboven geschetste bijzondere verkeerssituatie, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop verdachte links af wilde slaan en de snelheid waarmee de fietser reed, is de rechtbank van oordeel dat geen dan wel onvoldoende sprake was van concreet gevaarscheppend gedrag in deze zin, zodat verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.”

< Terug naar Meer informatie gevaarlijk rijgedrag
< Terug naar Meer informatie verkeersongeval door schuld
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden