Invordering rijbewijs en ontzegging rijbevoegdheid bij buitenlands rijbewijs

De bepalingen in de Wegenverkeerswet 1994 betreffende de bevoegdheden tot het vorderen van de overgifte van rijbewijzen, het invorderen van rijbewijzen en het inhouden van rijbewijzen voorzien er expliciet in dat die bevoegdheden ook kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van buiten Nederland afgegeven rijbewijzen. Voorts is de mogelijkheid tot het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet beperkt tot houders van Nederlandse rijbewijzen of buiten Nederland afgegeven rijbewijzen: ook aan bestuurders die in het geheel niet in het bezit zijn van een rijbewijs, kan een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.

Ten aanzien van de mogelijkheid dat de houder van een rijbewijs aan wie een ontzegging wordt opgelegd, wegens verlies onmiddellijk een duplicaat rijbewijs aanvraagt, geldt dat de vordering tot overgifte en de feitelijke invordering van een rijbewijs door de politie als de inhouding van rijbewijzen door het openbaar ministerie en de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid door de rechter wordt geregistreerd in het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister. Indien de houder van een Nederlands rijbewijs, van wie in Nederland de overgifte van het rijbewijs is gevorderd, wiens rijbewijs in Nederland is ingevorderd of ingehouden, dan wel aan wie in Nederland een ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd, een vervangend Nederlands rijbewijs aanvraagt, vormen de genoemde, in het register geregistreerde omstandigheden een beletsel voor afgifte van een vervangend rijbewijs.

Houders van een buiten Nederland afgegeven rijbewijs, van wie in Nederland de overgifte van dat rijbewijs is gevorderd, wier rijbewijs in Nederland is ingevorderd of ingehouden, dan wel aan wie in Nederland een ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd, komen in Nederland uiteraard niet in aanmerking voor een vervangend rijbewijs. In beginsel zouden zij echter, afhankelijk van de wetgeving van het land van herkomst, in het land waar hun rijbewijs is afgegeven, in aanmerking kunnen komen voor een vervangend rijbewijs.
Zowel in Nederland alsook in de andere lidstaten van de Europese Unie geldt met betrekking tot een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid het territorialiteitsbeginsel: een door een lidstaat opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid geldt uitsluitend voor het grondgebied van de lidstaat waar de ontzegging is opgelegd. De – op artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie gebaseerde – ontwerp-overeenkomst betreffende de ontzegging van de rijbevoegdheid beoogt te voorkomen dat bestuurders tegen wie in een lidstaat een besluit tot ontzegging van de rijbevoegdheid is genomen, zich aan de gevolgen van de ontzegging kunnen onttrekken wanneer zij de lidstaat waar de ontzegging is opgelegd, verlaten. Daartoe voorziet de overeenkomst erin dat de lidstaat waar het besluit tot ontzegging is genomen, van de opgelegde ontzegging kennis geeft aan de lidstaat waar de persoon tegen wie het besluit tot ontzegging is genomen, zijn gewone verblijfplaats heeft in de zin van artikel 98 van richtlijn 91/439/EEG. De lidstaat van verblijf is verplicht aan het in de staat van overtreding genomen besluit tot ontzegging uitvoering te geven, doch is autonoom waar het gaat om de wijze waarop aan de tenuitvoerlegging in de nationale wetgeving gestalte wordt gegeven.

Waar het bij bedoelde ontwerp-overeenkomst uitsluitend gaat om de tenuitvoerlegging, door de lidstaat van verblijf, van ontzeggingen van de rijbevoegdheid die zijn opgelegd in de lidstaat van overtreding, voorziet artikel 8, vierde lid, van Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) in de bevoegdheid van de lidstaten van de Europese Unie om de afgifte van hun nationale rijbewijs te weigeren aan een aanvrager tegen wie in een andere lidstaat een maatregel inhoudende beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid is getroffen. In de Nederlandse wetgeving inzake rijbewijzen is aan deze in de richtlijn voorziene bevoegdheid thans nog geen uitwerking gegeven. Het ligt echter in de rede dat in het kader van de ter uitvoering van meerbedoelde overeenkomst te treffen wettelijke voorzieningen tevens de in de Wegenverkeerswet 1994 voorziene regeling inzake de afgifte van rijbewijzen in dier voege wordt aangevuld dat geen Nederlands rijbewijs wordt afgegeven aan een aanvrager tegen wie in een andere lidstaat een maatregel inhoudende beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid is getroffen.

Aangezien de in het wetsvoorstel 24 112 voorziene verbeteringen betrekking hebben op de wijze van tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid, zullen zij, indien bedoelde overeenkomst en de ter uitvoering daarvan in de Nederlandse wetgeving te treffen regeling ten aanzien van de tenuitvoerlegging van in andere lidstaten opgelegde ontzeggingen van de rijbevoegdheid van kracht zullen zijn geworden, ook hun doorwerking hebben in de wijze waarop door andere lidstaten van de Europese Unie getroffen besluiten tot het opleggen van ontzegging van de rijbevoegdheid in Nederland zullen worden geëffectueerd. De in wetsvoorstel 24 112 voorziene – procedurele – verbeteringen zijn op de mogelijkheid dat de bestuurder aan wie een ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd, wegens «vermissing» een vervangend rijbewijs aanvraagt, niet van invloed in die zin dat zij de genoemde mogelijkheid zouden doen toenemen.

< Terug naar Meer informatie rijbewijs ingevorderd
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden