Enkel te hard rijden is onvoldoende voor gevaar op de weg (art. 5 WVW)

Uit de jurisprudentie blijkt dat een enkele snelheidsovertreding onvoldoende is om vast te stellen dat daarmee een gevaar op de weg is veroorzaakt.  In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215 reed de met zijn auto op een voorrangsweg waar 60 km/h was toegestaan. Bij een T-kruising reed de bestuurder van een scooter zonder vaart te minderen en uit te kijken de kruising op, met een aanrijding en dodelijk letsel van de scooterrijder tot gevolg. De verdachte werd vrijgesproken van zowel dood door schuld (art. 6WVW 1994) als het veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 WVW 1994). Het cassatieberoep van het OM, dat zich richtte tegen de vrijspraak van overtreding art. 5 WVW 1994, werd verworpen nu het hof kon oordelen dat geen sprake was van het veroorzaken van gevaar op de weg door verdachte die er op mocht vertrouwen dat de scooterrijder niet zonder vaart te minderen en zonder uit te kijken de kruising op zou rijden.

Hof en Hoge Raad: vrijspraak ook voor art. 5 WVW (veroorzaken gevaar op de weg)

Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994?

(…)Verdachte reed als bestuurder van zijn auto over de Kanaalweg en naderde de T-kruising met de Ravenstraat die gezien vanuit de rijrichting van verdachte van links uitmondt op Kanaalweg. Op beide wegen gold een maximumsnelheid van 60 km/u. Bestuurders op de Kanaalweg hebben voorrang op bestuurders op de Ravenstraat. Dit is op de Kanaalweg aangegeven door middel van bord B4 Bijlage I RVV 1990 en op de Ravenstraat door middel van bord B6 Bijlage I RVV 1990 en haaientanden, als bedoeld in artikel 1 onder p RVV 1990, voor het kruisingsvlak. Het slachtoffer reed op een bromfiets over de Ravenstraat, in de richting van de T-kruising. Hij reed zonder voorrang te verlenen, voor verdachte van links, het kruisingsvlak op en sloeg linksaf teneinde in de rijrichting van verdachte zijn weg over de Kanaalweg te vervolgen. Verdachte reed toen met de linkervoorzijde zijn auto tegen de rechterzijde van de bromfiets. Vaststaat dat het slachtoffer geen voorrang heeft verleend aan verdachte.

De vraag rijst of verdachte enig verwijt valt te maken. Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor verklaard dat hij direct nadat hij zag dat de bromfietser de Kanaalweg opreed, onmiddellijk heeft geremd, maar toen niet meer een aanrijding met het slachtoffer kon voorkomen. Getuigen die het ongeval hebben waargenomen, hebben verklaard dat het slachtoffer zonder vaart te minderen en zonder uit te kijken de T-splitsing met de Kanaalweg op reed en dat verdachte de aanrijding niet had kunnen voorkomen.

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte mogelijk iets harder reed dan ter plaatse toegestaan vlak voorafgaand aan het ongeval. Verdachte heeft verklaard dat hij niet harder reed dan 60 km/u. Ook als ervan wordt uitgegaan dat verdachte wel harder reed dan de ter plaatse geldende maximum snelheid, namelijk de door de politie berekende snelheid (73-75 km/u), dan was, naar het oordeel van het hof, die snelheidsoverschrijding gezien die situatie ter plaatse niet van dien aard dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam rijgedrag van verdachte.

Verder zijn er evenmin andere gedragingen gebleken die zouden leiden tot een ander oordeel. Het hof is van oordeel dat verdachte er in beginsel op mocht vertrouwen dat hij voorrang zou krijgen van de bromfietser, het latere slachtoffer. Door zonder vaart te minderen en zonder uit te kijken de Kanaalweg op te rijden heeft [slachtoffer] zich plotseling en voor verdachte geenszins te verwachten gehandeld. Een botsing was als gevolg van de manoeuvre van het slachtoffer onvermijdelijk.

(…)

Schuld in de zin van artikel 5 WVW 1994?

Het hof acht evenmin buiten redelijke twijfel bewezen dat verdachte door zijn gedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt, althans kon veroorzaken, of het verkeer heeft gehinderd, althans kon hinderen. Het hof is van oordeel dat de aanrijding door het gedrag van het slachtoffer is veroorzaakt en is niet overtuigd dat verdachte de aanrijding heeft kunnen voorkomen. Het hof zal verdachte daarom ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.”

2.3.

De subsidiaire tenlastelegging is toegesneden op art. 5 WVW 1994. Dit artikel luidt:

“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”

2.4.Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte, die als bestuurder van zijn auto met een snelheid van (volgens de eigen verklaring van de verdachte) 60 km/u dan wel (volgens de berekening van de politie) 73-75 km/u over de Kanaalweg reed terwijl hij de T-kruising met de Ravenstraat naderde, geen gevaar op de weg heeft veroorzaakt of het verkeer heeft gehinderd. Blijkens de in 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof bij dat oordeel in aanmerking genomen dat de Kanaalweg een voorrangsweg is en de verdachte erop mocht vertrouwen dat de bromfietser die bij de T-splitsing vanuit de Ravenstraat kwam, hem voorrang zou verlenen, althans niet zonder vaart te minderen en uit te kijken de Kanaalweg zou oprijden. Die overwegingen van het Hof geven niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘gevaar op de weg veroorzaken’ als bedoeld in art. 5 WVW. Het oordeel van het Hof is ook niet onbegrijpelijk.

Conclusie P-G

Het OM is blijkbaar de opvatting toegedaan dat enkel de snelheid waarmee verdachte (mogelijk) de kruising is genaderd voldoende is om van gevaarzetting in de zin van art. 5 WVW 1994 te spreken. Dit uitgangspunt is echter onjuist. Aan het veroorzaken van gevaar als bedoeld in art. 5 WVW 1994 moet weliswaar ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen, zoals een overschrijding van de maximaal toegestane snelheid, maar een (mogelijk) enkele snelheidsovertreding is onvoldoende om het gevaar te construeren waarop in art. 5 WVW 1994 wordt gedoeld. Daar komt bij dat verdachte op een voorrangsweg reed en naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof er in beginsel op mocht vertrouwen dat hij voorrang zou krijgen van verkeer van links. In cassatie staat verder niets vast omtrent de aard van de kruising en de mate van overzichtelijkheid daarvan en met welke regelmaat ter plaatse ander verkeer aanwezig placht te zijn (Vgl. HR 6 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8632, NJ 1991, 257 m.nt. Van Veen, rov. 5.1.)

< Terug naar Meer informatie gevaarlijk rijgedrag
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden