Aftrek op duur rijontzegging ook wanneer verdachte rijbewijs al om andere reden kwijt was?

In deze zaak worden volgende vier samenhangende rechtsvragen worden beantwoordt:
(1) Komt de tijd die het rijbewijs in een andere strafzaak ingevorderd of ingehouden is geweest, voor aftrek in aanmerking?
(2) Behoort het tot de taak van de strafrechter die de aftrek beveelt, te bepalen hoeveel dagen voor aftrek in aanmerking komen?
(3) Wanneer eindigt de tijd die het rijbewijs ingehouden of ingevorderd is geweest? Is dat op het moment waarop de beslissing tot teruggave wordt genomen, op het moment waarop die beslissing aan de betrokkene wordt medegedeeld of op het moment waarop het rijbewijs feitelijk wordt teruggegeven?
(4) Is een vordering tot overgifte van een rijbewijs dat is ingevorderd en nog niet is teruggegeven juridisch mogelijk? Zo ja, wat zijn daarvan de consequenties, met name wat het recht op aftrek betreft?

Feiten

In deze zaak wordt verdachte verweten op 8 december 2009 in de gemeente Almere te hard te hebben gereden. Blijkens het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal hebben de verbalisanten na staandehouding ingevolge art. 164, eerste lid WVW de overgifte van het rijbewijs gevorderd van de verdachte. Deze heeft toen aangegeven dat zijn rijbewijs nog bij de politie lag naar aanleiding van een eerdere invordering. De verbalisanten hebben een en ander geverifieerd en het proces-verbaal houdt dienaangaande in:

“bij navraag in de landelijke politiesystemen bleek dat deze invordering beëindigd was op 25 september 2009 en dat deze nog verblijft op het parket Leeuwarden”

Het rijbewijs is hierop door de verbalisanten desalniettemin ingevorderd, maar daadwerkelijke overgifte van dat rijbewijs door de verdachte heeft uiteraard achterwege moeten blijven.

Op 30 december 2009 is in de onderhavige zaak (de zaak met proces-verbaalnummer PL2542 200908935-2) door de officier van justitie beslist tot teruggave per direct van het rijbewijs aan [verdachte]. Dat kan worden afgeleid uit een beslissing van het openbaar ministerie die zich in het dossier bevindt achter het proces-verbaal vordering tot overgifte rijbewijs. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat die beslissing tot beëindiging is meegedeeld aan de verdachte.

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft in eerste aanleg de verdachte veroordeeld en hem een ontzegging opgelegd voor de duur van zes maanden “met aftrek”. In hoger beroep heeft de verdediging de inhouding van het rijbewijs ter discussie gesteld. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 juni 2011 heeft de verdediging als volgt aangevoerd:

“Het is dus mogelijk dat het rijbewijs van cliënt (ook) is ingehouden voor deze zaak. Dat zou worden uitgezocht, maar dat is nog niet gebeurd. Het is wel van belang dat dit duidelijk wordt in verband met de vraag of er in deze zaak aftrek moet worden gelast. Als blijkt dat het rijbewijs voor de zaak is ingehouden, heeft cliënt geen behoefte meer aan een behandeling van dit hoger beroep.”

Na aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting heeft officier van justitie […] schriftelijk verslag uitgebracht van zijn onderzoek. Daaruit blijkt dat in de zaak met parketnummer 540481-09, (niet de onderhavige zaak, GK) het rijbewijs van de verdachte op 21 september 2009 is ingevorderd. Op 25 september 2009 heeft de officier beslist tot teruggave. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte van die beslissing op de hoogte is gesteld. Feitelijk is het rijbewijs niet terug gegeven. Het lag toen [de officier van justitie] rapporteerde nog steeds in een kluis van het parket in Leeuwarden.

In de zaak waarin het rijbewijs op 21 september is ingevorderd, is verdachte niet gedagvaard. De zaak is geëindigd met een transactie.

5. Ter zitting van 21 oktober 2011 heeft de raadvrouw het volgende aangevoerd:

“Het rijbewijs van verdachte is ingevorderd en verdachte is aangezegd dat hij niet mocht rijden. De officier van justitie beslist in dat geval over teruggave en inhouding van het rijbewijs. Daarvan moet kennis worden gegeven aan verdachte. De officier van justitie verklaart dat de brief, waarin aan verdachte zou zijn medegedeeld dat teruggave van het rijbewijs is gelast en hij het rijbewijs kon ophalen, niet meer kan worden achterhaald. Ik ga er daarom vanuit dat een dergelijke brief niet aan verdachte is verzonden. Als verdachte geen bericht heeft gehad over zijn rijbewijs, dan mocht verdachte er vanuit gaan dat het rijbewijs nog steeds was ingehouden. Verdachte is vervolgens in de onderhavige strafzaak staande gehouden en in dat verband werd hem overgifte van zijn rijbewijs gevraagd. Hierop heeft verdachte bij staandehouding terecht geantwoord dat overgifte niet mogelijk is, omdat het rijbewijs reeds was ingevorderd. Verdachte mocht er vanuit gaan dat de inhouding van zijn rijbewijs in de onderhavige zaak was voortgezet. In de visie van de verdediging is het rijbewijs van verdachte in de onderhavige zaak derhalve langer ingehouden dan de duur van de in eerste aanleg opgelegde rijontzegging van 6 maanden. Dat zou ook in de hoogte van de op te leggen geldboete moeten worden meegewogen.”

In de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting heeft het hof ten aanzien van de rijontzegging als volgt overwogen:

“Vast staat dat op 8 december 2009 door de betrokkene niet is voldaan aan de overgifte van het aan hem afgegeven rijbewijs. Blijkens het proces-verbaal heeft de verdachte verklaard dat het rijbewijs nog bij de politie lag in verband met een eerdere invordering. Voorts heeft hij verklaard: “Jullie zoeken het maar uit, mijn rijbewijs kom ik niet brengen.”
Op 8 december 2009 is verdachte een kennisgeving van vordering overgifte rijbewijs toegezonden. Op 30 december 2009 heeft de officier van justitie beslist, dat het rijbewijs kon worden teruggegeven aan verdachte. Weliswaar heeft een en ander tot gevolg gehad, dat verdachte gedurende de genoemde periode zich zou schuldig maken aan overtreding van het bepaalde bij artikel 9, vierde lid(2), van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994), maar nu het rijbewijs niet daadwerkelijk is ingeleverd komt deze periode niet voor aftrek in aanmerking, mede gelet op hetgeen omtrent de duur van de ontzegging is geregeld in het zesde lid van artikel 180 WVW 1994. Het zou immers ongerijmd zijn een periode van niet-inlevering af te trekken, die bij de tenuitvoerlegging tot een verlenging van rechtswege van de periode van de ontzegging zou leiden.
Het hof zal echter, nu de zaak met parketnummer 540481-09 blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 september 2011 is afgedaan met een transactie, gelet op het bepaalde in artikel 164, negende lid, WVW 1994, de periode dat het rijbewijs ingevorderd is geweest in deze zaak aftrekken. Het hof gaat daarbij uit van het normale geval, dat de verdachte bericht heeft gekregen dat het rijbewijs kon worden afgehaald. Voor een andere, ruimere periode biedt het dossier geen aanknopingspunten. Het hof heeft daarbij mede gelet op de uit het dossier blijkende onverschilligheid van de verdachte met betrekking tot het in het bezit van het rijbewijs gedurende het deelnemen aan het openbaar verkeer.”
Het hof heeft blijkens zijn overwegingen het ter zitting door de verdediging ingenomen standpunt dat verdachte ervan uit mocht gaan dat de inhouding van zijn rijbewijs “in de onderhavige zaak was voortgezet” kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat de tijd die het rijbewijs na 8 december 2009 bij het openbaar ministerie in de kluis had gelegen, heeft te gelden als tijd die het rijbewijs in de onderhavige strafzaak ingevorderd of ingehouden is geweest in de zin van art. 179 lid 6 WVW 1994. Van dat standpunt is het hof afgeweken. Daartegen keerde zich het verweer in deze zaak, alsook tegen het kennelijke oordeel van het hof dat de tijd na 30 december 2009 – de datum waarop tot teruggave werd beslist – niet heeft te gelden als tijd die het rijbewijs in de onderhavige strafzaak ingevorderd of ingehouden is geweest in de zin van art. 179 lid 6 WVW 1994. Daarbij wordt in de schriftuur gesteld dat bij het hof namens de verdachte is aangevoerd dat nergens uit is gebleken dat de beslissing van 30 december 2009 aan de verdachte is meegedeeld. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Wel is door de verdediging aangevoerd dat het rijbewijs in haar visie in de onderhavige zaak langer dan zes maanden ingevorderd is geweest. Waarop die visie was gebaseerd, heeft de verdediging niet duidelijk gemaakt.

Rechtsvragen

In deze zaak moeten de volgende  vier samenhangende rechtsvragen worden beantwoordt:
(1) Komt de tijd die het rijbewijs in een andere strafzaak ingevorderd of ingehouden is geweest, voor aftrek in aanmerking?
(2) Behoort het tot de taak van de strafrechter die de aftrek beveelt, te bepalen hoeveel dagen voor aftrek in aanmerking komen?
(3) Wanneer eindigt de tijd die het rijbewijs ingehouden of ingevorderd is geweest? Is dat op het moment waarop de beslissing tot teruggave wordt genomen, op het moment waarop die beslissing aan de betrokkene wordt medegedeeld of op het moment waarop het rijbewijs feitelijk wordt teruggegeven?
(4) Is een vordering tot overgifte van een rijbewijs dat is ingevorderd en nog niet is teruggegeven juridisch mogelijk? Zo ja, wat zijn daarvan de consequenties, met name wat het recht op aftrek betreft?

Conclusie A-G

De Advocaat-Generaal beantwoordt deze vragen in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX3863 als volgt:

“Ik begin bij de eerste vraag. Het hof beroept zich op het negende lid van art. 164 WVW 1994, waarin een voorziening is getroffen in het geval de zaak waarvoor een rijbewijs is ingehouden, niet eindigt met een straf of maatregel. De gewezen verdachte kan dan aanspraak maken op een vergoeding. Het hof lijkt van oordeel te zijn dat die vergoeding ook kan bestaan uit het bieden van compensatie in een andere strafzaak. Mij lijkt dat daarvoor geen steun kan worden gevonden in de tekst van het artikellid. Gesproken wordt van een vergoeding “ten laste van de Staat” voor de geleden “schade” op verzoek van de gewezen verdachte waarbij de artt. 89, derde tot en met zesde lid, 90, 91 en 92 Sv van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Het gaat hier onmiskenbaar om een financiële schadevergoeding die in een aparte raadkamerprocedure (en dus niet door de strafrechter) moet worden toegekend.

11. Het bestaan van de voorziening van art. 164 lid 9 WVW 1994 lijkt mij dus eerder tegen de mogelijkheid van het bieden van compensatie in een andere strafzaak te pleiten. Aan die compensatie bestaat gelet op deze voorziening weinig behoefte. Dat maakt dat het standpunt eenvoudig kan zijn dat de wet niet in dergelijke compensatie voorziet. Art. 179 lid 6 WVW 1994 beperkt zich tot aftrek van de tijd die het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest in de strafzaak waarin de rijontzegging wordt opgelegd. Andere mogelijkheden tot aftrek kent de wet niet.

12. Steun voor dit standpunt is te vinden in de jurisprudentie die betrekking heeft op de oude wegenverkeerswet. De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 oktober 1982, NJ 1983/257 geoordeeld dat de stelling dat de rechter bij een ontzegging der rijbevoegdheid de inhouding van het rijbewijs in een ander zaak in rekening dient te brengen, geen steun vindt in het recht. Reden om daar tegenwoordig anders over te denken is er mijns inziens niet.

13. Dan nu de tweede vraag. Het hof heeft in deze zaak geen reden gezien om meer tijd in mindering te brengen dan vijf dagen en heeft daarbij onder meer acht geslagen op de “onverschilligheid” van de verdachte. Dat past bij een aftrek die gegeven wordt bij wijze van schadevergoeding. Met de eigen schuld van de verdachte dient dan rekening te worden gehouden. Daarbij past ook dat het de rechter is die bepaalt op hoeveel vergoeding de verdachte recht heeft. Gelet op de aard van de door het hof in dit geval bevolen aftrek, is het dus consequent dat het hof zelf heeft bepaald hoeveel tijd precies in mindering moet worden gebracht. Voor aftrek bij wijze van compensatie voor geleden schade biedt de wet zoals betoogd echter geen ruimte.

14. Als het gaat om de aftrek waartoe art. 179 lid 6 WVW 1994 de rechter verplicht, pleegt de rechter te volstaan met het geven van het bevel dat de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van de rijontzegging in mindering moet worden gebracht. Aldus wordt in eerste instantie aan de administratie overgelaten om te bepalen hoeveel tijd precies moet worden afgetrokken.(5) Dat is een werkwijze die niet alleen door de Hoge Raad wordt gesauveerd, maar ook door de Hoge Raad zelf wordt gepraktiseerd.(6) Ik zou het er mede daarom voor willen houden dat de gebruikelijke werkwijze ook de juiste is. De strafrechter die de aftrek beveelt, moet zich derhalve onthouden van het bepalen van het aantal dagen dat voor aftrek in aanmerking komt.

15. De derde vraag zou daarmee buiten de orde van de huidige cassatieprocedure kunnen worden verklaard. Toch zal ik haar bespreken. In de eerste plaats omdat de Hoge Raad in zijn rechtsvormende taak reden zou kunnen vinden zich over deze voor de praktijk niet onbelangrijke kwestie uit te spreken. In de tweede plaats omdat het antwoord van belang is voor beantwoording van de vierde en laatste vraag.

16. Het antwoord op de vraag lijkt besloten te liggen in HR 5 april 2005, LJN AR8436, NJ 2005/262. Daarin werd de verdachte vervolgd wegens overtreding van art. 9 lid 6 (oud) – thans art. 9 lid 7 – WVW 1994. Dit artikellid bevat een rijverbod voor onder meer degene “van wie [het rijbewijs] is ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet is teruggegeven”. Namens de verdachte werd aangevoerd dat dit rijverbod in casu niet geldig was omdat de beslissing tot inhouding van het rijbewijs door de daartoe niet bevoegde parketsecretaris was genomen. De Hoge Raad overwoog als volgt.

“3.4. De in deze zaak relevante bestanddelen van art. 9, zesde lid, WVW 1994 zijn gelijkluidend aan die van art. 32, derde lid, van de voordien geldende WVW. Dit artikellid is ingevoegd bij de Wet van 15 mei 1991, Stb. 291, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet (invordering en inhouding van rijbewijzen). De Memorie van Toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:
“Voorgesteld wordt om art. 32 WVW aan te vullen met een nieuw derde lid waarin – op soortgelijke wijze als in het eerste en tweede lid van dat artikel – een verbod is vervat op het besturen van een motorrijtuig nadat het daarvoor afgegeven rijbewijs is ingevorderd. Aangezien van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zal in de praktijk steeds bewezen kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs is ingevorderd. Het voorgestelde verbod blijft dan van kracht totdat het rijbewijs aan hem is teruggegeven. Het betreft hier een bijkomende voorwaarde met een puur feitelijk karakter. Dit voorkomt discussies over de duur en de reden van inhouding of eventuele complicaties bij de teruggave van het rijbewijs. Zolang de betrokkene zijn rijbewijs niet heeft teruggekregen, zal hij zich dus aan het verbod moeten houden.”
(Kamerstukken II, 1987-1988, 20 591, nr. 3, blz. 10 en 11)
3.5. Tegen de achtergrond van de hiervoor onder 3.4 weergegeven wetsgeschiedenis moeten de hiervoor onder 3.3 vermelde wettelijke bepalingen aldus worden verstaan dat de invordering (en eventuele inhouding) van het rijbewijs van kracht is zolang het rijbewijs niet is teruggegeven. Deze veiligheidsmaatregel verliest zijn rechtskracht derhalve slechts door teruggave van het rijbewijs op grond van een daartoe strekkende beslissing van de officier van justitie dan wel op last van de rechter naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 164, achtste lid, WVW 1994.

3.6. In aanmerking genomen dat niet is aangevoerd dat de onderhavige maatregel op de in bewezenverklaring genoemde tijdstippen zijn rechtskracht had verloren op een van de hiervoor onder 3.5 vermelde wijzen, klaagt het middel vruchteloos over ’s Hofs verwerping van het gevoerde verweer.

17. Wat opvalt, is dat de Hoge Raad niet (zoals in de door hem aangehaalde MvT het geval is) stelt dat het rijverbod van art. 9 lid 6 (oud) WVW 1994 van kracht blijft tot het moment van teruggave, maar dat de “veiligheidsmaatregel” (de invordering en eventuele inhouding) van kracht blijft tot dat moment van teruggave. Aandacht verdient voorts dat de Hoge Raad onderscheid maakt tussen de teruggave en de beslissing waarop die teruggave is gebaseerd. Daaruit kan worden afgeleid dat onder “teruggave” moet worden verstaan de daadwerkelijke effectuering van de beslissing. Dat sluit aan bij de aangehaalde MvT, waarin immers wordt gesteld dat het bij de (niet-)teruggave gaat om een bijkomende voorwaarde met een puur feitelijk karakter. De invordering en eventuele inhouding eindigt dus niet op het moment waarop tot teruggave wordt beslist, maar op het moment waarop het rijbewijs feitelijk aan de betrokkene ter hand wordt gesteld.

18. Het bedoelde arrest had primair betrekking op de uitleg van art. 9 lid 6 (oud) WVW 1994, niet op de uitleg van art. 179 lid 6 WVW 1994. Nu echter de Hoge Raad zich niet beperkte tot de vraag hoe lang het rijverbod van kracht blijft, maar zich ook uitsprak over de duur van de veiligheidsmaatregel, komt het mij voor dat daarmee tegelijk is aangegeven wat in art. 179 lid 6 WVW 1994 moet worden verstaan onder “de tijd gedurende welke het rijbewijs (…) ingevorderd of ingehouden is geweest”. Dat is de tijd tot aan het moment van feitelijke teruggave. Die uitleg is mijns inziens ook rationeel. Waarom zou de tijd gedurende welke het rijverbod van kracht is geweest niet in zijn geheel op de rijontzegging in mindering moeten worden gebracht?

19. Ik merk daarbij nog het volgende op. Art. 164 WVW 1994 bevat geen verplichting om de beslissing van de OvJ tot teruggave van het rijbewijs aan de betrokkene mee te delen, laat staan dat voorgeschreven is dat die mededeling betekend moet worden en dat het rijbewijs voor de toepassing van art. 164 lid 6 geacht moet worden te zijn teruggegeven op het moment van betekening. Het is zelfs nog sterker. Van een beslissing van de OvJ tot teruggave spreekt de wet niet. Art. 164 lid 6 bepaalt onder meer dat, als de OvJ niet binnen tien dagen beslist tot inhouding, hij het rijbewijs onverwijld moet teruggegeven. Er wordt hier geen beslissing voorgeschreven, maar actie. Dat betekent dat op de OvJ een inspanningsverplichting rust. Hij moet ervoor zorg dragen dat de betrokkene zijn rijbewijs weer daadwerkelijk in handen krijgt. Aan die inspanningsverplichting zal in de regel zijn voldaan als de OvJ de betrokkene bij niet-aangetekende brief meedeelt dat hij zijn rijbewijs kan komen ophalen en de betrokkene op die mededeling reageert. Aan die inspanningsverplichting wordt niet voldaan als de OvJ enkel tot teruggave beslist en het rijbewijs vervolgens opbergt in een kluis op het parket.

20. Dan nu de vierde en laatste vraag. Zoals uit het voorgaande volgt, was de invordering van het rijbewijs die op 21 september 2009 plaatsvond, nog steeds van kracht toen de verdachte op 8 december 2009 wegens een snelheidsovertreding werd staande gehouden. Dat reeds op 25 september 2009 tot teruggave was beslist, doet daaraan niet af aangezien die beslissing niet tot een feitelijke teruggave heft geleid. Of de beslissing nu wel of niet aan de verdachte is medegedeeld, doet om diezelfde reden voor de vraag of de veiligheidsmaatregel nog van kracht was, evenmin ter zake. Dat de verdachte niet is vervolgd voor de overtreding van het nog steeds van kracht zijnde rijverbod, verandert daaraan uiteraard niets.

21. De vraag is of op voet van art. 164 lid 1 WVW 1994 de overgifte van een rijbewijs kan worden gevorderd dat al is ingevorderd (en dat dus onder de justitie is). Voor een ontkennend antwoord pleit dat de betrokkene onmogelijk aan de vordering kan voldoen. En tot het onmogelijke kan niemand worden gehouden. Dat bezwaar valt weg als de betrokkene in een dergelijk geval geacht wordt aan de vordering te hebben voldaan, zodat het rijbewijs vanaf het moment waarop de overgifte wordt gevorderd moet worden beschouwd als te zijn ingevorderd. Ik merk daarbij op dat een vordering tot overgifte in een geval als het onderhavige niet zonder zin is.(7) Door die vordering veranderde de rechtspositie van de verdachte. Vóór die vordering had hij recht op teruggave van zijn rijbewijs. Als hij zich bij het parket had vervoegd, was het rijbewijs aan hem teruggegeven. Na de vordering had hij bedoeld recht niet langer. Op grond van de gedane vordering had de OvJ de afgifte van het rijbewijs kunnen weigeren. De mogelijkheid om aan het op grond van art. 9 lid 7 WVW 1994 geldende rijverbod een einde te maken, had de verdachte dus niet langer.

22. Ik meen dus dat het middel het bij het rechte eind heeft voor zover daarin wordt gesteld dat het rijbewijs met ingang van 8 december 2009 moet worden beschouwd als te zijn ingevorderd in de onderhavige zaak en dat die invordering, nu de beslissing tot teruggave van 30 december 2009 niet is geëffectueerd, na laatstgenoemde datum voortduurde. Dat brengt mee dat het hof op grond van het dwingende voorschrift van art. 179 lid 6 WVW 1994 had moeten bevelen dat de tijd die het rijbewijs aldus ingevorderd is geweest, op de opgelegde rijontzegging in mindering wordt gebracht.

23. De overwegingen waarin het hof van een andersluidende opvatting blijk geeft, hebben mij niet kunnen overtuigen. Het hof oordeelde dat de tijd na de vordering tot overgifte van het rijbewijs niet voor aftrek in aanmerking komt omdat de verdachte niet aan de vordering heeft voldaan. Zoals hiervoor is betoogd is het doen van een vordering in een situatie als de onderhavige alleen aanvaardbaar als de verdachte geacht wordt aan te vordering te hebben voldaan. Ik merk daarbij op dat het mij niet juist voorkomt om het feit dat het rijbewijs op 8 december 2009 nog steeds ingevorderd was, voor rekening van de verdachte te laten komen. De wet verplicht de betrokkene niet om zijn rijbewijs op te halen, zelfs niet als hij weet dat de OvJ tot teruggave heeft besloten. De wet legt wel een verplichting op aan de OvJ. De vraag is daarom veeleer of de OvJ wel aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan om teruggave te realiseren. Van enige inspanning blijkt uit het dossier in elk geval niet. Maar hoe dat ook zij, de wet biedt geen grondslag om de aftrek op grond van de eventuele “eigen schuld” van de verdachte achterwege te laten. Het beroep dat het hof doet op art. 180 lid 6 WVW 1994 maakt dat niet anders. Dit artikellid heeft geen betrekking op de plicht tot inlevering van het rijbewijs die is gebaseerd op een ex art. 164 lid 1 WVW 1994 gedane vordering, maar op de inleverplicht die is gebaseerd op art. 180 lid 4 WVW 1994. Die plicht geldt daarbij niet, zoals genoemd artikellid uitdrukkelijk bepaalt, voor gevallen waarin het rijbewijs is ingevorderd en niet is teruggegeven.

24. Het middel slaagt. Ik heb mij afgevraagd wat daarvan het gevolg zou moeten zijn. Denkbaar is dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt ten aanzien van de strafoplegging en de zaak in zoverre terug- of verwijst. Naar het mij voorkomt, kan de Hoge Raad de zaak echter zelf afdoen door te doen wat het hof had behoren te doen, namelijk bepalen dat de tijd die het rijbewijs in de onderhavige zaak ingevorderd is geweest, in mindering wordt gebracht op de rijontzegging. Daarbij zou de Hoge Raad naar aanleiding van het middel en zo nodig ambtshalve de bestreden uitspraak kunnen vernietigen voor zover daarin de aftrek is bevolen van tijd die het rijbewijs in een andere strafzaak ingevorderd is geweest.

25. Andere gronden dan hiervoor zijn aangegeven waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de uitspraak ambtshalve te vernietigen, zijn door mij niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarin niet is bepaald dat de tijd die het rijbewijs in de onderhavige strafzaak ingevorderd is geweest op de opgelegde rijontzegging in mindering wordt gebracht en voor zover daarin is bepaald dat de tijd die het rijbewijs in een eerdere strafzaak ingevorderd is geweest, op de rijontzegging in mindering wordt gebracht en tot verwerping van het beroep voor het overige. Deze conclusie strekt er voorts toe dat de Hoge Raad, opnieuw rechtdoende, zal bepalen dat de tijd die het rijbewijs in de onderhavige strafzaak ingevorderd is geweest op de opgelegde rijontzegging in mindering wordt gebracht.”

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad doet vervolgens op 30 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX3863) uitspraak in deze zaak, en bepaalt dat de tijd van de invordering en inhouding van het rijbewijs ook geldt voor de periode dat de verdachte het rijbewijs al om andere redenen kwijt is:

 In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat “mede gelet op hetgeen omtrent de duur van de ontzegging is geregeld in het zesde lid van artikel 180 WVW 1994” die periode niet in aanmerking komt voor aftrek als hiervoor bedoeld, aangezien de verdachte niet heeft voldaan aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs nu daadwerkelijke inlevering van het rijbewijs door de verdachte achterwege is gebleven.

2.6. Dat oordeel van het Hof is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte, naar het Hof klaarblijkelijk als vaststaand heeft aangenomen, zijn rijbewijs op 21 september 2009 had ingeleverd in een zaak die geëindigd is met een transactie en dat hij op 8 december 2009 zijn rijbewijs nog niet had teruggekregen. In die omstandigheden moet het rijbewijs met ingang van 8 december 2009 worden beschouwd als te zijn ingevorderd en ingehouden in de onderhavige zaak. Dat brengt mee dat het Hof op grond van art. 179, zesde lid, WWV 1994 had moeten bevelen dat de tijd die het rijbewijs aldus ingevorderd en ingehouden is geweest op de duur van de opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in mindering moet worden gebracht.”

< Terug naar Meer informatie rijbewijs ingevorderd
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden