Ongevalsschade is rechtstreekse schade bij artikel 7 WVW
In HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1651 speelde de vraag of ongevalsschade rechtstreekse schade is als bedoeld in artikel 7 WVW, in die zin dat een benadeelde partij van het verlaten van de plaats van het ongeval zich kan voegen in het strafproces en in dat verband schade kan vorderen, bijvoorbeeld na beschadiging van het voertuig. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend:
2.3Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.3.1.)
Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek aan de verdachte kan worden toegerekend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.1.)
Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek aan de verdachte kan worden toegerekend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.1.)
2.4Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte een ongeval heeft veroorzaakt doordat hij, tijdens het passeren van een andere auto, tegen de Volkswagen Golf van de benadeelde partij is gebotst, en dat hij de plaats van dit ongeval heeft verlaten. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade, waaronder schade aan de Volkswagen Golf, voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden getuigt, gelet op wat is overwogen onder 2.3, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk het in zijn beslissing besloten liggende oordeel van het hof dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden het gevolg is van de vastgestelde, aan de verdachte toe te rekenen onrechtmatige gedragingen (in het bijzonder: het door de verdachte veroorzaakte ongeval waarbij de auto van de benadeelde partij is beschadigd), een en ander in de hiervoor onder 2.3 bedoelde zin.
< Terug naar Meer informatie verlaten plaats ongeval