Vrijspraak voor rijden met een ogv artikel 123b WVW ongeldig verklaard rijbewijs
Om tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde te komen, moet uit de bewijsvoering moet blijken (cumulatief):
a.dat het rijbewijs van de verdachte op grond van artikel 123b, eerste lid, van de WvW 1994 zijn geldigheid heeft verloren;
b dat, nadat het rijbewijs zijn geldigheid had verloren, aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven voor de categorie waartoe het motorrijtuig behoort dat hij bestuurde;
c.dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en
d. dat verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, van de WvW 1994 gestelde voorwaarden.
In die zin moet uit bewijsmiddelen blijken dat de ongeldigverklaring aan de verdachte is medegedeeld en dat hij is geïnformeerd over de verdere stappen om het rijbewijs weer aan te vragen.
Het Openbaar Ministerie informeert een veroordeelde per brief dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden. Als uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte die brief niet heeft ontvangen, dient vrijspraak te volgen.
In een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, 30 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1203 werd door het hof het volgende geoordeeld:
Het rijbewijs van de verdachte heeft op 10 december 2014 van rechtswege zijn geldigheid verloren op grond van artikel 123b van de Wegenverkeersweg 1994. De verdachte stelt hiervan echter op 9 december 2015 niet op de hoogte te zijn geweest en, meer in het bijzonder, dat hij de brief van 18 december 2014 van het parket CVOM hieromtrent, niet heeft ontvangen. Dat dit laatste anders is, blijkt niet uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting; op 30 maart 2015 is vruchteloos geprobeerd de mededeling van 18 december 2014 uit te reiken op het adres van de verdachte en het poststuk is op 8 april 2015 niet-uitgereikt retour gezonden aan de afzender.
Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid op grond waarvan de verdachte wist of redelijkerwijze moest weten dat zijn rijbewijs de geldigheid op grond van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 had verloren. De enkele, door de advocaat-generaal gestelde, omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs niet had teruggekregen en dat ook ten tijde van het tenlastegelegde nog niet in zijn bezit had, maakt dit niet anders.
Ook enkel de tekst onderaan een tenlastelegging dat het rijbewijs later ongeldig wordt na het onherroepelijk worden van de uitspraak van de eerder zaak is niet voldoende!
Dit volgt o.a. uit een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:333. Het hof overweeg hier:
“Verder acht het hof het feit dat op de dagvaarding voor de zitting van 30 januari 2020 die aan verdachte op 16 november 2019 in persoon is uitgereikt staat vermeld: ‘(…) Door het tweede strafpunt wordt uw rijbewijs automatisch ongeldig. U moet uw rijbewijs dan inleveren. Meer informatie: http://www.om.nl/strafpuntalcoholendrugs.’, onvoldoende om de tenlastegelegde (redelijkerwijze) wetenschap van verdachte daaruit af te leiden.
Het enkele feit dat aan verdachte bekend is gemaakt waar hij nadere informatie met betrekking tot de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs kan vinden is naar het oordeel van het hof niet voldoende om het bewijs van een vorm van wetenschap bij verdachte over het moeten voldoen aan voorwaarden bij het aanvragen van een nieuw rijbewijs aan te nemen.”
< Terug naar Meer informatie rijden tijdens ontzegging