• Eerlijke inschatting
  • Enkel ervaren verkeersstrafrechtadvocaten
  • Snelle werkwijze
  • Voordeligste tarief

Te late verzending bloedmonster

Het bloedmonster moet zo spoedig mogelijk worden bezorgd bij het geaccrediteerde laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit. Dit volgt uit artikel 13, eerste lid, onder d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Het gaat hier om een strikte waarborg waarmee het bloedonderzoek is omkleed. Dit is meermalen benadrukt in de jurisprudentie.

In een zaak waarbij het bloedmonster pas 5 dagen na de bloedafname werd verstuurd, heeft dit verzuim geleid tot bewijsuitsluiting en vrijspraak (LJN: BR3043, Hoge Raad, 11 oktober 2011).

Ook in de recentere jurisprudentie is dit bevestigd:

  • In gerechtshof Amsterdam, 8 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1911 ging het om een termijn van 11 dagen. Het hof kwam tot vrijspraak en overwoog:

“Van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omkleed. Tot die waarborgen behoort onder meer de waarborg genoemd in artikel 13, eerste lid, onder d van het Besluit, inhoudende dat bloedmonsters zo spoedig mogelijk worden bezorgd bij het geaccrediteerde laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van
27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD6972 moet hieronder worden begrepen dat de bloedmonsters ook zonder uitstel worden toegezonden aan het laboratorium. Deze waarborg is een strikte waarborg, zodat het onderzoek bij het niet naleven daarvan niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

  • Ook de rechtbank Amsterdam kwam in een soortgelijke uitspraak tot vrijspraak in de uitspraak van 11 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1696. Het ging hier om 9 dagen. De rechtbank overwoog:
    “Vastgesteld kan worden dat het bloed van verdachte is afgenomen op 8 mei 2019. De verbalisant verklaart dat hij zich er van heeft vergewist dat de bloedmonsters “overeenkomstig het Besluit [..]” verzonden zijn naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag. De verbalisant vermeldt niet wanneer de bloedmonsters door hem zijn verzonden. De bloedmonsters zijn aangekomen bij het NFI op 17 mei 2019, dat wil zeggen negen dagen nadat de bloedmonsters zijn afgenomen. In beginsel kan er vanuit worden gegaan dat bloedmonsters die naar het NFI worden verzonden één of hooguit twee dagen na verzending aldaar aankomen. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BR3043) heeft het hof vastgesteld dat het bloed was afgenomen op 19 december 2009, de eerste gelegenheid tot verzending plaatsvond op 21 december 2009, het bloed daadwerkelijk is verzonden op 24 december 2009 en bij het NFI is binnengekomen op 28 december 2009. De verzending op 24 december 2009, drie dagen na de eerste gelegenheid, werd door het hof als niet zonder uitstel beoordeeld.”
  • En nu ook de Hoge Raad op 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1684):
    Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952). Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit, dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek.
    In die zaak bleek echter dat het bloedmonster wel op tijd door de politie was verstuurd naar het NFI, maar dat het NFI het later heeft doorgestuurd naar een ander laboratorium. Daardoor was er in die zaak geen schending van de strikte waarborg aangenomen.

Toelichting waarom bloedmonster direct moet worden verstuurd

De reden waarom artikel 13 van het Besluit moet worden gerekend tot de strikte waarborgen, is dat het bloedmonster op een politiebureau sneller vatbaar voor verwisseling of bederf.  (Vgl. HR 14 maart 1978, NJ 1978/385 waarin het bloedmonster gedurende lange tijd – in afwachting van toestemming van de verdachte – was bewaard in de koelkast op het politiebureau. Vgl. in dit verband ook HR 24 juni 1980, NJ 1980/624.)
Zie ook conclusie P-G ECLI:NL:PHR:2020:745.

Nadere toelichting

In de Nota van Toelichting op het Besluit worden de onder 3.8 genoemde artikelen, voor zover van belang, als volgt toegelicht:

“Artikel 13

Net als in artikel 14 van het oude Besluit alcoholonderzoeken was bepaald, moet volgens artikel 13, eerste lid, van dit besluit een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig zijn. Hij dient op grond van onderdeel a van dat artikellid de gang van zaken van de bloedafname in een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Voordat het bloed naar het laboratorium wordt verzonden waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, moet hij er voorts voor zorgen dat het afgenomen bloed administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie bloed is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven. In dat proces-verbaal moet hij daarom volgens artikel 13, eerste lid, onder a, de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboortelanden het burgerservicenummer (BSN) van de verdachte van wie bloed is afgenomen, noteren, alsmede het sporenidentificatienummer (verder: SIN) met bijbehorende barcode zetten. Wanneer het SIN op het proces-verbaal ontbreekt, hoeft dat niet te betekenen dat het onderzoek gebrekkig is geweest, mits maar op enigerlei wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat vergissing over de herkomst van het bloed uitgesloten is.

Van de verdachte worden, indien twijfels over zijn identiteit bestaan, op grond van artikel 55c, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering na een bevel van de officier van justitie of hulpofficier van justitie een of meer foto’s en vingerafdrukken afgenomen ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit. Indien de verdachte bijvoorbeeld een vals of vervalst identiteitsbewijs heeft overgelegd, kan mogelijk met behulp van deze biometrische persoonsgegevens alsnog zijn identiteit worden achterhaald. De personalia en de eventuele biometrische persoonsgegevens van de verdachte worden aan het strafrechtsketennummer(SKN) gekoppeld dat op grond van artikel 27b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan hem is toegekend. Omdat particuliere laboratoria die een bloedonderzoek uitvoerengeen organen zijn die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, mag de politie in het kader van de uitwisseling van informatie met hen over een verdachte niet het SKN van de verdachte gebruiken (zie artikel 27b, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering). De politie dient voor dat doel op grond van artikel 27b, derde lid, zijn BSN te gebruiken.

De opsporingsambtenaar zorgt er op grond van artikel 13, eerste lid, onder c, voordat de buisjes met bloed worden verpakt in een speciale verpakking, het zogenaamde «bloedblok», en dat die buisjes naar een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, worden opgestuurd. Op of in deze verpakking brengt hij hetzelfde SIN aan dat hij op het proces-verbaal heeft geplaatst. Die handeling verricht hij ook ten aanzien van de twee buisjes met bloed dat de arts of verpleegkundige overeenkomstig artikel 12 van dit besluit heeft afgenomen. Op ieder buisje bloed brengt hij een SIN aan dat qua nummer opvolgend is aan het SIN op het proces-verbaal.

Indien een verdachte voor een tweede keer op dezelfde dag betrokken raakt bij een onderzoek naar het gebruik van een bewustzijnsbeïnvloedende stof en bij hem wederom bloed wordt afgenomen, kent de opsporingsambtenaar aan het bijbehorende proces-verbaal alsmede aan de buisjes van die nieuwe bloedafname en de verpakking daarvan nieuwe SIN’s toe.

Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, dient de opsporingsambtenaar een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring waarin hij zijn waarnemingen met betrekking tot de verdachte heeft neergelegd, als bijlage bij het proces-verbaal te voegen. Die waarnemingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit de constatering dat de verdachte uiterlijke kenmerken vertoonde waarvan hem beroepshalve bekend is dat deze kenmerken voorkomen bij gebruik van een bepaalde drug. Door deze verklaring bij het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar te voegen wordt voorkomen dat de verklaring van de arts of verpleegkundige als «de auditu-verklaring» in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar wordt opgenomen.

De opsporingsambtenaar is op grond van het tweede lid van artikel 13 verplicht de verdachte bij de afname van zijn bloed op het recht op tegenonderzoek te wijzen, tenzij de bloedafname na het ademonderzoek in het kader van een tegenonderzoek geschiedt. In dat geval zou het wijzen op dat recht overbodig zijn omdat het bloedonderzoek dan het tegenonderzoek is en de verdachte geen tweede keer een beroep op dat recht kan doen. Bovendien rust op grond van artikel 11, tweede lid, op de opsporingsambtenaar al de verplichting hem na een positief resultaat van het ademonderzoek op dat recht te attenderen.

Artikel 14

In artikel 14, tweede lid, van dit besluit is een omschrijving gegeven van de laboratoria die bloedonderzoeken mogen verrichten. Hierdoor is het niet langer nodig de laboratoria afzonderlijk aan te wijzen, zoals artikel 19, eerste lid, van het voormalige Besluit alcoholonderzoeken voorschreef. Ieder laboratorium dat aan de hierna vermelde kwaliteitseisen voldoet, kan een bloedonderzoek verrichten en vaststellen welke en hoeveel bewustzijnsbeïnvloedende stof of stoffen in het bloed van de verdachte voorkomen. Dat neemt niet weg dat, net zoals nu het geval is, het primaat van de bloedonderzoeken in de praktijk bij het NFI zal blijven liggen. Die stelling is gebaseerd op de pilot die in het najaar van 2009 tot eind 2011 op initiatief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft plaatsgevonden. Deze pilot had tot doel inzicht te verkrijgen in het effect van de inschakeling van particuliere instituten op de strafrechtsketen en op de kwaliteit, veiligheid en informatie en continuïteit van beschikbaarheid van forensisch onderzoek. Uit de pilot is gebleken dat slechts in een zeer klein aantal gevallen particuliere instituten toxicologisch onderzoek doen. Door in dit besluit de mogelijkheid te behouden dat een laboratorium van een ander instituut dan het laboratorium van het NFI voor een bloedonderzoek wordt ingeschakeld, wordt de nodige flexibiliteit tijdens het opsporingsonderzoek gewaarborgd. Redenen om naar een ander laboratorium uit te wijken kunnen de capaciteit van het NFI zijn of de snelheid waarmee het bloedonderzoek moet worden verricht. Mocht in de praktijk blijken dat het aantal bloedonderzoeken waartoe opdracht wordt gegeven, het aantal bloedonderzoeken overstijgt dat het NFI met het openbaar ministerie en de politie in het zogenaamde Service Level Agreement heeft afgesproken te zullen uitvoeren, dan biedt dit besluit de mogelijkheid om de bloedonderzoeken die het NFI niet kan verrichten, alsnog bij een ander laboratorium te laten uitvoeren. Een andere reden om een ander laboratorium dan het laboratorium van het NFI in te schakelen kan zijn dat het vanwege de met het transport gemoeide afstand en tijd onwenselijk is om het afgenomen bloed bij het NFI te laten onderzoeken. In dat geval biedt dit besluit de mogelijkheid om te kiezen voor het meest dichtbij zijnde laboratorium dat voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, van dit besluit gestelde eisen.

(…)

In het ontwerp van dit besluit was er in voorzien dat een deskundige van een laboratorium pas een bloedonderzoek kon verrichten als hij over een opdracht van de officier van justitie beschikte. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, het College van procureurs-generaal en de voormalige Raad van Korpschefs hebben zich in hun adviezen daar echter kritisch over uitgelaten. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft in haar advies erop aangedrongen om deze nieuwe taak van de officier van justitie kritisch te bezien vanuit het oogpunt van juridische noodzaak, efficiëntie en praktische uitvoering. Volgens deze vereniging stuit de huidige praktijk waarin de opsporingsambtenaar zonder tussenkomst van een officier van justitie het NFI een bloedonderzoek laat doen, niet op bezwaren en is zij niet overtuigd van de meerwaarde of de noodzaak van het veranderen van die praktijk. Dat geldt temeer omdat volgens haar de te volgen procedure en het doel van het onderzoek helder zijn omschreven. Ook het College van procureurs-generaal is niet overtuigd van de meerwaarde van de inzet van de officier van justitie. Het College stelt dat deze wijziging in de procedure alleen maar extra administratie veroorzaakt, omdat de politie contact moet leggen met een officier van justitie voordat hij de opdracht kan geven en dat op die manier zowel bij de politie als het openbaar ministerie een administratie moet worden bijgehouden over het verzenden van bloed naar laboratoria. De voorgestelde procedure vindt het College verder onnodig complex en tijdrovend, waardoor het streven om verdachten zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van het resultaat van het onderzoek en zaken zo snel mogelijk af te doen in het gedrang komt. De voormalige Raad van Korpschefs was om vergelijkbare redenen als het College van procureurs-generaal geen voorstander van verandering van de huidige werkwijze.

In het ontwerp van dit besluit was ervoor gekozen om de bevoegdheid tot het laten verrichten van een bloedonderzoek toe te bedelen aan de officier van justitie omdat dat dat aansloot bij de systematiek van de in de paragraaf 1 genoemde Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/ deskundigenonderzoek van het College van procureurs-generaal. Volgens die aanwijzing is het bloedonderzoek naar de aanwezigheid van alcohol, drugs en geneesmiddelen technisch onderzoek dat als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering moet worden bestempeld. Voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek dient naar het oordeel van het College de officier van justitie een deskundige te benoemen. De reden hiervoor is onder meer dat het bloedonderzoek volgens het College aangemerkt kan worden als aanvullend onderzoek omdat het verder reikt dan de vaststelling van de aanwezigheid van een of meer van de stoffen uit bijlage 2 bij de aanwijzing. In het bloedonderzoek dient immers ook de concentratie van alcohol, drugs of geneesmiddelen bepaald te worden, en voor zover het gaat om niet in artikel 2 aangewezen drugs, alsmede geneesmiddelen, ook de invloed van deze stoffen op de verkeersveiligheid. Andere redenen waarom het bloedonderzoek volgens de aanwijzing als deskundigenonderzoek moet worden beschouwd waarvoor de officier van justitie verantwoordelijk is, zijn dat het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie, maar door een geaccrediteerd laboratorium en het onderzoek ook een tegenonderzoek kan inhouden. Hoewel het advies dat het College over het ontwerp van dit besluit heeft uitgebracht, niet strookt met de door hem vastgestelde Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoeken de bevoegdhedenverdeling in artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan de officier van justitie verantwoordelijk is voor deskundigenonderzoek en de hulpofficier van justitie voor technisch onderzoek, ben ik wel gevoelig voor het argument van het College, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de voormalige Raad van Korpschefs dat de huidige praktijk waarin de opsporingsambtenaar de opdracht geeft tot het laten uitvoeren van een bloedonderzoek en ook bepaalt op welke stof of stoffen dat onderzoek gericht moet zijn, goed functioneert. Vanuit dat perspectief bestaat voor het veranderen van die praktijk geen reden en derhalve ook niet voor het overhevelen van de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar naar de officier van justitie. Daarbij komt dat de regeling uit de Wegenverkeerswet 1994, de Scheepsvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart over het bloedonderzoek ter vaststelling van strafbaar gebruik van alcohol, drugs of geneesmiddelen en dit besluit een lex specialis zijn ten opzichte van de regeling over de deskundige in strafzaken uit het Wetboek van Strafvordering. Tegelijk acht ik het wel van belang dat ten aanzien van de bevoegdhedenverdeling voor dat bloedonderzoek zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bevoegdhedenverdeling in de regeling over de deskundige in strafzaken. Dat heeft ertoe geleid dat de bevoegdheid tot het laten uitvoeren van een meer standaardmatig bloedonderzoek in artikel 14, eerste lid, van dit besluit is toegekend aan de opsporingsambtenaar. Het gaat hier om het onderzoek dat gericht is op het vaststellen van de aanwezigheid van alcohol en de in artikel 2 van dit besluit aangewezen drugs in het bloed en van de daarin aanwezige hoeveelheid van die stof of stoffen. Zodra het bloedonderzoek betrekking heeft op drugs die niet in artikel 2 zijn aangewezen of op geneesmiddelen – dit onderzoek wordt in het besluit aangeduid als aanvullend bloedonderzoek –, is op grond van artikel 18, tweede lid, onder b, de hulpofficier van justitie daarmee belast. Omdat dat onderzoek geen standaardmatig onderzoek is en relatief kostbaar is, is het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor dat onderzoek bij een hogere functionaris ligt en dat hij de omvang en de richting van dat onderzoek bepaalt. Ik zal het College verzoeken zijn Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek daarmee in overeenstemming te brengen.

Aan een aanvullend bloedonderzoek kan direct bij aanvang van het bloedonderzoek naar het gebruik van alcohol of de in artikel 2 aangewezen drugs, alsook op een later moment behoefte bestaan. In beide gevallen is de hulpofficier van justitie degene die de opdracht tot het bloedonderzoek geeft. In het geval dat het nodig wordt geoordeeld dat het aanvullend bloedonderzoek tegelijk plaatsvindt met het bloedonderzoek naar het gebruik van alcohol of de in artikel 2 aangewezen drugs, is de hulpofficier van justitie ook voor het laatste bloedonderzoek de opdrachtgever en niet de opsporingsambtenaar.

(…)”

3.10.Artikel 7, eerste lid, van de aan genoemd Besluit gekoppelde Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Regeling)3, zoals dat luidde ten tijde van het ten laste gelegde, hield in dat de methode voor de uitvoering van een bloedonderzoek als bedoeld in art. 1 onder b van het Besluit voldoet aan de eisen genoemd in bijlage 1 bij deze regeling. Genoemde bijlage 1 hield, voor zover hier van belang, in:

“• Zo spoedig mogelijk na ontvangst door het laboratorium worden de twee buisjes bloed bevroren bewaard of, als dat niet mogelijk is, in de koelkast.[1] Het bloedblok wordt liggend op het grootste oppervlak in de vriezer geplaatst om de kans op breuk van de bloedbuizen te minimaliseren.

• In geval van een tegenonderzoek op alcohol wordt het buisje bloed gekoeld getransporteerd. In geval van een tegenonderzoek op andere stoffen, al dan niet in combinatie met tegenonderzoek op alcohol, wordt het buisje bloed op droogijs getransporteerd.4

(…)

Voetnoot 1: Een bewaartemperatuur bij ongeveer –20°C heeft de voorkeur.”

3.11.Aan genoemd Besluit en de daaraan ten grondslag liggende Regeling zijn de nodige besluiten c.q. beschikkingen/regelingen voorafgegaan. De strafbaarstelling van het rijden met een uit een onderzoek gebleken te hoog alcoholgehalte in het bloed dateert namelijk van 1974.5 Artikel 13 van het zogenaamde Bloedproefbesluit6 hield in dat de Minister nadere aanwijzingen geeft met betrekking tot de verzending en bewaring van bloed-en urinemonsters en de medische en analytische rapportage. In de Nota van Toelichting op dit artikel staat vermeld dat de bewaring en verzending van bloed- en urinemonsters aan hoge eisen zullen moeten voldoen, zowel om bederf als om verwisseling te voorkomen. Genoemde nadere aanwijzingen waren in de zogenaamde Bloedproefbeschikking7 opgenomen. Art. 6, eerste lid, van de Bloedproefbeschikking hield in dat de korpschef van gemeentepolitie, de groepscommandant van de Rijkspolitie of de brigadecommandant van de Koninklijke marechaussee, die een onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid van de wet aanvraagt, de gevulde monsterbuisjes in verzegelde verpakking toezendt aan het met het onderzoek belaste laboratorium. Deze bepaling werd door de Hoge Raad zo uitgelegd, dat de daar bedoelde verzending zonder verder uitstel diende plaats te vinden.8 Het Bloedproefbesluit en de Bloedproefbeschikking maakten in 1987 plaats voor het Besluit alcoholonderzoeken9 en de daaraan gekoppelde Regeling bloed-en urineonderzoek10. Art. 5, eerste lid, van de Regeling hield een soortgelijke bepaling in als art. 6, eerste lid, Bloedproefbeschikking, met dien verstande dat niet expliciet werd gesproken over het met het onderzoek belaste laboratorium, maar over het Gerechtelijk Laboratorium. Deze bepaling is in de nadien geldende Regelingen bloed-en urineonderzoek11 (onder vernummering van het artikel) enkel gewijzigd op het punt van de betreffende functionaris en het onderzoekslaboratorium (NFI). De “bezorging” door een politiefunctionaris bleef centraal staan, terwijl de betreffende bepaling in de jurisprudentie van de Hoge Raad steeds zo werd uitgelegd dat het afgenomen bloedmonster (door de opsporingsambtenaar) zonder uitstel wordt toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast.12

3.12.Uit het voorgaande is gebleken dat de achterliggende strekking van het vereiste dat het bloedmonster door de opsporingsambtenaar “zo spoedig mogelijk” moet worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit, is gelegen in het voorkomen van bederf en verwisseling van het bloedmonster. Immers, bij het laboratorium kan (en moet) het bloedmonster volgens de geldende richtlijnen worden bewaard. Ook is gebleken dat bij de verzending van het bloedmonster door de opsporingsambtenaar verzending aan het NFI centraal staat, omdat het primaat van het onderzoek bij het NFI ligt. Wel biedt het Besluit de mogelijkheid voor het NFI om een ander geaccrediteerd laboratorium in te schakelen voor het onderzoek, zodat de nodige flexibiliteit tijdens het opsporingsonderzoek wordt gewaarborgd. In de toelichting op art. 14 Besluit wordt een drietal redenen genoemd om naar een ander laboratorium uit te wijken: (i) de capaciteit van het NFI, (ii) de snelheid waarmee het bloedonderzoek moet worden verricht en (iii) de met het transport gemoeide afstand en tijd. In het laatste geval biedt het Besluit de mogelijkheid om te kiezen voor het meest dichtbij zijnde laboratorium dat voldoet aan de in art. 14, tweede lid, Besluit gestelde eisen. Hieruit kan mijns inziens niet worden afgeleid dat in het geval het NFI besluit om het onderzoek uit te besteden aan een buitenlands geaccrediteerd laboratorium het niet zou zijn toegestaan om – zoals in het onderhavige geval – de bezorging van bloedmonsters aan een buitenlands laboratorium wekelijks te doen laten plaatsvinden. De in art. 13, eerste lid onder d, Besluit opgenomen “bezorgplicht” rust immers uitsluitend op de opsporingsambtenaar. Op een politiebureau is een bloedmonster sneller vatbaar voor verwisseling of bederf.13 Als het bloedmonster bij het NFI wordt bewaard (en bij uitwijking naar een ander laboratorium: wordt getransporteerd) op de wijze als bedoeld in Bijlage 1 van de Regeling wordt aan de strekking van art. 13, eerste lid onder d, Besluit geen geweld gedaan.

Conclusie:

Vastgesteld moet worden of het bloedmonster te lang op het politiebureau is blijven liggen. Als het door de verbalisant wel direct is doorgestuurd, maar vervolgens eerst naar het NFI is gestuurd en dat het daarna is doorgestuurd naar een ander laboratorium is er geen sprake van een schending van deze strikte waarborg (ECLI:NL:PHR:2020:745)

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden