Recidiveregeling drugs

** LET OP: DEZE WET IS NOG NIET VAN KRACHT!!!**

De uitbreiding van de recidiveregeling artikel 123b, eerste lid, van de WVW 1994 ziet op verkeersdelicten die zijn gerelateerd aan het gebruik van drugs in het verkeer:

  • het rijden onder invloed van drugs,
  • het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval onder invloed van drugs en het niet meewerken aan een onderzoek naar het gebruik van drugs.
  • De reikwijdte omvat ook de onherroepelijke veroordelingen wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, van de wet. Op grond van dit artikellid is het verboden om een voertuig te besturen onder invloed van een stof, waarvan de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met andere stoffen, de rijvaardigheid zodanig kan beïnvloeden dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Dit artikellid is de basis voor veroordelingen wegens rijden onder invloed van medicijnen of (tot nu toe) drugs, maar in bepaalde gevallen ook in verband met alcohol. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestuurders die wel onder de voor hen geldende wettelijke limiet zijn gebleven, maar toch wel zoveel hebben gedronken dat zij daardoor geacht moeten worden niet meer tot behoorlijk besturen in staat te zijn. Zulke bestuurders vormen, ongeacht de vraag onder invloed van welke stof zij een voertuig hebben bestuurd, een gevaar voor de verkeersveiligheid. Daarom is dit artikellid in zijn geheel onder de werking van de recidiveregeling gebracht en deze werking niet te beperkt tot bijvoorbeeld alleen onherroepelijke veroordelingen wegens rijden onder invloed van drugs of alcohol (voor zover die niet onder andere leden van artikel 8 van de wet vallen).

    MvT (33346): “Dit is verdedigbaar omdat de rechter in het concrete geval al heeft vastgesteld dat sprake is van overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Bovendien is het onderbrengen van artikel 8, eerste lid, onder de recidiveregeling nodig omdat ook in de toekomst, indien het eerder aangehaalde wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, dit artikellid als vangnet blijft gelden voor de gevallen van rijden onder invloed van drugs die nog niet kunnen worden vervolgd op basis van artikel 8, vijfde lid, van de wet, omdat het bijvoorbeeld gaat om een nieuwe drug waarvoor nog geen grenswaarde is vastgesteld. Om het rijden onder invloed van alle drugs onder de werkingssfeer van de recidiveregeling te kunnen brengen, is het dus ook nodig de onherroepelijke veroordeling wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, daarin onder te brengen. Ook een veroordeling op grond van het eerste lid, waarbij de rijvaardigheid beïnvloedende stof alcohol betreft en het promillage onder de in het tweede en derde lid gestelde grenzen lag, zal kunnen leiden tot een eerste of tweede punt. Het feit dat blijkens een rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de betrokken bestuurder niet meer tot behoorlijk besturen in staat was, rechtvaardigt naar het oordeel van de regering de «puntwaardigheid», ook als het alcoholpromillage in die gevallen 1,3 of lager was en daarmee afwijkt van de ondergrens die in andere gevallen wordt gehanteerd bij het tweede punt. Bijkomende reden om artikel 8, eerste lid, in zijn geheel onder de werking van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten te brengen is het feit dat in de justitiële documentatie niet wordt geregistreerd of een veroordeling op basis van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 betrekking heeft op alcohol, drugs, geneesmiddelen of andere bewustzijnsbeïnvloedende stoffen.
    De recidiveregeling blijft hiermee uitgaan van één toetsingscriterium voor het van rechtswege vervallen van de geldigheid van een rijbewijs in geval van recidive, namelijk het gevaar voor de verkeersveiligheid. Tot nu is aan dit criterium invulling gegeven door in het huidige artikel 123b, eerste lid, uit te gaan van een concreet promillage waarvan bij de tweede onherroepelijke afdoening sprake moet zijn. Omdat het van rechtswege ongeldig worden van het rijbewijs een verstrekkende maatregel is, is bij de totstandkoming van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten, dit promillage niet vastgesteld op de wettelijke ondergrens (0,5 respectievelijk 0,2 ‰), maar op een hoger promillage.
    Bij de wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 2010, 259) is dit promillage in artikel 123b, eerste lid, gesteld op meer dan 1,3. Het onderhavige wetsvoorstel brengt geen wijziging aan in deze keuze. Het bovenstaande houdt derhalve in dat als bij een tweede verkeersdelict een promillage van boven de 1,3 is geconstateerd en dit delict onherroepelijk is afgedaan, het rijbewijs vanaf dat tijdstip van rechtswege ongeldig is geworden. Ook bij lagere promillages kan uiteraard sprake zijn van een gevaar voor de verkeersveiligheid, maar bij die promillages volgt op grond van artikel 123b, eerste lid, niet van rechtswege ongeldigheid van het rijbewijs, maar zijn, naast de strafrechtelijke sancties, zoals bijvoorbeeld een boete of een rijontzegging, andere maatregelen mogelijk, bijvoorbeeld de oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. Deze maatregelen staan naar onze mening meer in verhouding tot de overtreding dan de overtreding te laten meetellen in het kader van de recidiveregeling. In dit wetsvoorstel wordt onder het toetsingscriterium «gevaar voor de verkeersveiligheid» voor het van rechtswege vervallen van de geldigheid van een rijbewijs in geval van recidive een onherroepelijke afdoening wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 toegevoegd. De rechtvaardiging van het feit dat hierbij geen concreet promillage is vereist, is dat een veroordeling op grond van dit artikellid alleen plaatsvindt als concreet is bewezen dat de betrokken bestuurder niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Iemand die daarvoor onherroepelijk is veroordeeld, vormde in dat concrete geval een gevaar voor de verkeersveiligheid en dient om de redenen die hiervoor zijn genoemd, zijn rijbewijs van rechtswege te verliezen.
    Voor de toekenning van het tweede punt maakt het niet uit of het eerste delict hetzelfde (soort) delict betrof of een ander. Combinatie van de verschillende soorten delicten is ook mogelijk. Is bijvoorbeeld het eerste delict een drugsdelict, dan kan het tweede delict waarvan de onherroepelijke veroordeling leidt tot de ongeldigheid van het rijbewijs, bijvoorbeeld een veroordeling zijn op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Voorwaarde is dan wel dat er sprake is van een promillage van meer dan 1,3 of een weigering mee te werken aan een onderzoek. Omgekeerd is ook mogelijk: het eerste delict kan een alcoholdelict zijn geweest (ongeacht het promillage) en het tweede delict een drugsdelict. Als tijdens één controle de bestuurder wordt betrapt op het rijden onder invloed van zowel alcohol als drugs, dan krijgt hij hiervoor na de onherroepelijke veroordeling één punt.
    Het wetsvoorstel brengt geen wijzigingen aan in de systematiek van de recidiveregeling: het moet, bij de tweede onherroepelijke veroordeling, gaan om bestuurders aan wie een rijbewijs is afgegeven (dus ook bestuurders van bromfietsen vallen onder de recidiveregeling), er moet sprake zijn van een onherroepelijke veroordeling jegens een bestuurder van een rijbewijsplichtig motorrijtuig en de recidiveregeling is ook van toepassing op bestuurders die het rijbewijs voor het werk nodig hebben. Niet valt in te zien waarom het maken van meer kilometers een reden zou mogen zijn om vaker te recidiveren. De doelstelling om recidive bij rijden onder invloed harder aan te pakken, ongeacht of dit gebeurt onder invloed van alcohol of van drugs, zou worden doorkruist als onderscheid zou worden gemaakt tussen bestuurders die minder vaak gebruik maken van hun rijbewijs en bestuurders die dat vaak doen. Verwezen wordt naar hetgeen hierover is opgemerkt in de memorie van toelichting bij het aan de eerder aangehaalde wet van 24 oktober 2008 ten grondslag liggende wetsvoorstel.
    Verder blijft de recidiveregeling, ook na de uitbreiding van de reikwijdte ervan, van toepassing op beginnende bestuurders en ten slotte moet de betrokkene, die na de ongeldigheid van rechtswege weer de beschikking wil krijgen over een rijbewijs, opnieuw zijn geschiktheid en zijn rijvaardigheid aantonen overeenkomstig de daarvoor in het Reglement rijbewijzen opgenomen procedure.”

Wanneer recidiveregeling regeling drugs?

De recidiveregeling drugs geldt in de volgende gevallen:
– het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval onder invloed van drugs c.q. gevolgd door een weigering om mee te werken aan een onderzoek naar het gebruik van drugs (artikel 6 van de wet),
– het rijden onder invloed van drugs (artikel 8, vijfde lid, van de wet),
– het rijden onder invloed van de rijvaardigheid beïnvloedende stoffen (artikel 8, eerste lid, van de wet) en
– het weigeren mee te werken aan een onderzoek naar het gebruik van drugs (artikel 163, zesde, achtste of negende lid, van de wet).

Anders dan bij het tweede alcoholdelict, waarvoor een grens van 1,3 ‰ of hoger van toepassing is, geldt voor de drugsdelicten op grond van artikel 8, vijfde lid, van de wet geen bijzondere grens.

De in de wet opgenomen grens voor veroordeling is tevens ook de grens voor toepassing van de recidiveregeling. De reden is dat volgens het Nederlands Forensisch Instituut uit onderzoek niet is gebleken dat een bestuurder een groter gevaar voor de verkeersveiligheid vormt naarmate het gebruik van een drug verder boven de aangegeven grenswaarde die op basis van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 bij algemene maatregel van bestuur zal worden vastgesteld, uitstijgt. Die situatie is anders bij het gebruik van alcohol, ten aanzien waarvan uit onderzoek1 al wel is komen vast te staan dat het gevaar voor de verkeersveiligheid wel groter is naarmate het promillage waarmee is gereden, hoger is.

Evenmin geldt er een bijzondere grens voor onherroepelijke veroordelingen op grond van artikel 8, eerste lid, van de wet. Verwezen wordt naar § 4 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Samenloop recidiveregeling drugs

De recidiveregeling loopt parallel aan de andere maatregelen die kunnen worden toegepast, en staat dus los van de CBR-procedure. Er kan daardoor samenloop van beide procedure plaatsvinden. Deze samenloop heeft te maken met het feit dat de strafrechtelijke procedure enerzijds en de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure anderzijds gelijktijdig kunnen worden toegepast omdat zij verschillende doelen dienen. De strafrechtelijke procedure dient primair tot bestraffing van de betrokkene wegens een begaan verkeersdelict. De vorderingsprocedure is nodig voor maatregelen bij twijfel of een rijbewijshouder nog wel beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid.

Het is bijvoorbeeld mogelijk dat het tweede delict een drugsdelict is dat tevens aanleiding heeft gegeven tot een mededeling aan het CBR van het vermoeden dat de betrokken rijbewijshouder niet langer beschikt over de vereiste geschiktheid. In de vorderingsprocedure zal dan een onderzoek naar de geschiktheid worden opgelegd dat, afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek of van de bereidheid van betrokkene aan dat onderzoek mee te werken, kan leiden tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Voor die gevallen waarin het CBR het rijbewijs in het kader van de vorderingsprocedure reeds ongeldig heeft verklaard en deze ongeldigverklaring onherroepelijk is geworden, biedt artikel 123b, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 al een oplossing. In die gevallen dient de officier van justitie een aantekening te plaatsen in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs dient aan te tonen dat hij beschikt over de rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist. Dit artikellid is straks ook van toepassing indien een rijbewijs dat op grond van de recidiveregeling na uitbreiding met de drugsgerelateerde delicten ongeldig zou zijn, al eerder in het kader van de vorderingsprocedure zijn geldigheid heeft verloren. Door deze aantekening wordt duidelijk dat betrokkene, om weer in het bezit te komen van een rijbewijs, opnieuw zijn rijvaardigheid en geschiktheid moet aantonen.

Ook kan er samenloop ontstaan met de beginnersregeling: als het tweede delict in het kader van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten bijvoorbeeld een veroordeling is voor het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval en betrokkene daarbij onder invloed van drugs verkeerde en deze veroordeling tevens een derde onherroepelijke veroordeling was in het kader van de beginnersregeling. Ook voor deze samenloop bestaat reeds een voorziening. Deze is geregeld in artikel 23, vierde lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en houdt in dat het CBR bij dringende redenen kan afzien van het opleggen van een onderzoek. Dit artikellid is overgenomen uit de oude Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en is destijds ingevoerd om samenloop in hierboven beschreven gevallen te voorkomen (zie Stcrt. 2008, 186).

Overgangsrecht recidiveregeling drugs

Op de recidiveregeling drugs is overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat de recidiveregeling enkel geldt voor de personen  die na de inwerkingtreding van de regeling twee keer worden betrapt op het rijden onder invloed van drugs.

MvT:

“In dit artikel is geregeld dat alleen de drugsdelicten die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden begaan, onder de werking van de recidiveregeling vallen. Hetzelfde geldt voor de overtredingen van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet. De reden hiervoor is dat dit wetsvoorstel een verscherping bevat van het recidivebeleid ten nadele van de rijbewijshouder: het rijbewijs kan nu in meer gevallen dan voor de inwerkingtreding van de uitbreiding van de reikwijdte van rechtswege ongeldig worden. De rechtszekerheid gebiedt deze bezwarende maatregelen alleen op nieuwe feiten toe te passen. De drugsdelicten die zijn begaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet vallen buiten de werking van de recidiveregeling. Zij kunnen, indien strafrechtelijk afgedaan, dan ook niet veroorzaken dat de recidivetermijn gaat lopen. Voor de al in artikel 123b, eerste lid, van de wet opgenomen alcoholdelicten geldt dit uiteraard niet: deze zijn met ingang van 1 juni 2011 aangewezen en de recidiveregeling is en blijft van toepassing op alle aangewezen alcoholdelicten die zijn begaan op of na 1 juni 2011. Dit geldt ook voor de voor de inwerkingtreding begane overtredingen van artikel 163, zesde, achtste of negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het de alcoholonderzoeken betreft. Zoals uit de toelichting op de wijzigingen voorgesteld door de regering blijkt (Kamerstukken II vergaderjaar , 32 340, nr. 17, blz. 3,4) vallen deze delicten nu al onder de reikwijdte van de recidiveregeling voorernstige verkeersdelicten. Een uitzondering betreft de hierboven bedoelde overtredingen van artikel 8, eerste lid.
Het bovenstaande betekent concreet het volgende. De bestuurder die na de datum van inwerkingtreding van deze wet een drugsdelict begaat of bijvoorbeeld een alcoholgerelateerde overtreding van artikel 8, eerste lid, en daarvoor onherroepelijk wordt veroordeeld, en daarna binnen vijf jaar opnieuw een aangewezen verkeersdelict begaat (ongeacht of dat een drugsdelict is of een alcoholdelict, mits in dat laatste geval het een promillage betreft van meer dan 1,3 of een onherroepelijke veroordeling op basis van artikel 8, eerste lid), valt onder de werking van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten. Ook de bestuurder die voor de inwerkingtredingsdatum van deze wet een alcoholdelict begaat (ongeacht het promillage), daarvoor onherroepelijk wordt veroordeeld, en daarna binnen vijf jaar, maar in elk geval na de datum van inwerkingtreding van de wet opnieuw een aangewezen verkeersdelict begaat (ook in dit geval ongeacht of dat een drugsdelict is of een alcoholdelict, mits in dat laatste geval het een promillage betreft van meer dan 1,3 ) valt onder de recidiveregeling.
Maar ten aanzien van de bestuurder die voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet een drugsdelict begaat dat na die datum onder de recidiveregeling valt, en die daarvoor na die inwerkingtredingsdatum onherroepelijk wordt veroordeeld, telt dit delict niet mee voor het puntenstelsel. Indien hij daarna onherroepelijk wordt veroordeeld voor een tweede (drugs)delict, begint de recidivetermijn van vijf jaar pas te lopen. Begaat de bestuurder binnen die termijn opnieuw (en dus voor de derde keer) een aangewezen verkeersdelict, dan is de recidiveregeling onverkort van toepassing en wordt zijn rijbewijs bij onherroepelijke veroordeling ongeldig.”

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden