Conclusie A-G: wanneer er sprake is van roekeloosheid bij artikel 6 WVW

Roekeloosheid is een van de  strafverzwarende omstandigheid en vindt zijn grondslag in artikel 175 lid w WVW. Het is de zwaarste vorm van schuld. Bij bewezenverklaring van roekeloos rijgedrag als gevolg waarvan een ernstig verkeersongeval is ontstaan, leidt dat tot aanzienlijk hogere straffen. De vraag is wanneer echter sprake is van roekeloosheid in het verkeer.

In zijn conclusie bij het arrest HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962 heeft de A-G mr. Harteveld invulling proberen te geven aan wat onder roekeloosheid moet worden verstaan. (conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:654).

Onduidelijkheid

De A-G stelt  allereest vast dat er veel onduidelijkheid heerst over wat onder roekeloosheid moet worden verstaan.

“Door de genoemde drie arresten van de Hoge Raad bestaat inmiddels breed de notie dat de feitenrechter ‘niet te gemakkelijk’ roekeloosheid mag aannemen maar een nadere invulling en afgrenzing van de roekeloosheid is nog niet overtuigend in beeld gekomen.”

Vervolgens probeert de A-G zelf tot een invulling te komen van roekeloosheid.

Wettelijk kader

Art. 175 WVW 1994 luidt: “2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met: a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood; b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

3.2. Het tweede lid van art. 175 WVW 1994 is ingevoerd bij de op 1 oktober 2006 in werking getreden wet van 28 juni 2006, Stb. 322 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima. De memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in: “4.3 schuld die bestaat in roekeloosheid Bij de benadering die in het onderhavige wetsvoorstel is gekozen om de strafmaxima van artikel 175 Wegenverkeerswet 1994 en die van het Wetboek van Strafrecht meer met elkaar in overeenstemming te brengen, is teruggegrepen op de strekking van de wet waarmee de hoge straffen in artikel 175 Wegenverkeerswet 1994 zijn ingevoerd. Zoals blijkt uit onder meer de considerans van deze wet, is met deze strafmaatverhogingen beoogd het optreden tegen ernstige vormen van roekeloos rijgedrag te bevorderen. In dat verband zijn aan de rechter meer mogelijkheden gegeven om bij fataal gevolg of lichamelijk letsel in de strafmaat rekening te houden met het bij familieleden, vrienden en kennissen van het slachtoffer teweeggebrachte leed en met de in de samenleving ontstane onrust. Ook is met de wetswijziging tot uitdrukking gebracht dat onverantwoordelijk rijgedrag in de huidige tijd zwaar wordt aangerekend. Gelet op de intensiteit van het verkeer en het vertrouwen waarmee men aan dat verkeer moet kunnen deelnemen, rust er een grote verantwoordelijkheid op verkeersdeelnemers om de veiligheid van het verkeer niet in gevaar te brengen, aldus de wetgever.”  (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 112, nr. 5, p. 3) (…) Aansluitend bij de strekking van de wetswijziging uit 1998, die de regering onverminderd onderschrijft, wordt in het onderhavige wetsvoorstel voorgesteld om de zwaarste vorm van het culpose delict – dat is die waarbij de schuld bestaat in roekeloosheid – van een afzonderlijk strafmaximum te voorzien. (…) Zoals gezegd wordt met de invoering van een afzonderlijk strafmaximum voor roekeloosheid beoogd een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Roekeloosheid vereist daarmee niet slechts een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het gaat, anders gezegd, binnen de grenzen van het culpose delict, om het zwaarste verwijt dat iemand kan worden gemaakt.” (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 484, nr. 3, p. 10-12)

Jurisprudentie Hoge Raad

In een drietal arresten heeft de Hoge Raad uiteengezet wat onder roekeloosheid moet worden verstaan. Het gaat om de volgende arresten: HR 3 juli 2012, LJN BW4254, NJ 2012, 489 m.nt. F.W. Bleichrodt en HR 4 december 2012, LJN BY2823, NJ 2013, 16, en HR 22 mei 2012, LJN BU2016, NJ 2012, 488.

Ingevolge deze bestendige rechtspraak moet schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN A05822, NJ 2005/252).

Voor de schuldvorm “roekeloosheid” geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

De Hoge Raad citeert in zijn arrest van 22 mei 2012, LJN BU2016, NJ 2012, 488 uitgebreid uit de wetsgeschiedenis, maar vooral om het systematische verband binnen art. 175 WVW 1994 te duiden. Uit de overwegingen van de Hoge Raad blijkt van een aantal (logische) conclusies: 1) roekeloosheid is een vorm van het algemene begrip schuld (culpa) zoals dat voorkomt in art. 6 WVW 1994. Het betreft dus geen ‘Mittelstufe’ oftewel een tussenvorm, gelegen tussen opzet en schuld. 2) roekeloosheid is de zwaarste vorm binnen het verzamelbegrip schuld en wel ‘zwaarder’ dan “zeer (…) onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam”. 3) het vóórkomen van de in art. 175 lid 3 genoemde verkeersgedragingen – ernstige overschrijding van de maximumsnelheid, ‘kleven’, geen voorrang verlenen, gevaarlijk inhalen – levert niet zonder meer roekeloosheid op. Die gedragingen kunnen immers ook straf verhogend werken bij de ‘normale’, dus niet roekeloze variant van schuld, strafbaar gesteld in lid 1, en kunnen dus inderdaad niet ‘zonder meer’ roekloosheid aantonen.

De aldus aangetroffen systematiek wordt vervolgens in verbinding gebracht met zekere rechtsbeginselen, in de sfeer van legaliteit en rechtszekerheid, want de Hoge Raad verwijst (“mede”) naar de (fors) straf verhogende effecten van eerst al de roekeloosheid en voorts de, daarboven op komende, verkeersgedragingen van art. 175 lid 3 WVW 1994. Het een en het ander brengt met zich mee, aldus de Hoge Raad, dat aan de vaststelling van roekeloosheid bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld, hetgeen zich (processueel) oplost in de plicht voor de rechter om – in voorkomende gevallen – daaraan nadere aandacht te geven in de motivering van de bewezenverklaring.

Interpretatie jurisprudentie Hoge Raad

Voor een verdere invulling van roekeloosheid biedt de tot nu toe aangereikte opvatting van de Hoge Raad niet al te veel houvast. Hierna wordt geprobeerd aan de hand van enkele gangbare interpretatiemethoden tenminste een aanzet te verkrijgen van wat – tegen de achtergrond van wat de Hoge Raad heeft prijsgegeven over zijn opvatting – onder roekeloos(heid) in art. 175 WVW 1994 kan worden verstaan.

De wetsgeschiedenis voor zover die slaat op de introductie van het begrip roekeloosheid in het verkeersstrafrecht is helaas weinig consistent: In zijn noot onder NJ 2012, 488 wijst Bleichrodt op passages uit de parlementaire behandeling geschiedenis die ons weinig verder brengen, zoals de opmerking dat veel te hard rijden of onder invloed rijden al snel roekeloosheid oplevert. Het volgen van die lijn zou het onderscheidend vermogen van de roekeloosheid wel erg ondermijnen3 en die uitkomst strookt ook niet met het door de Hoge Raad aangeduide systematische verband binnen art. 175 WVW 1994. In literatuur en lagere rechtspraak wordt veelal4 wel de passage geciteerd waarin roekeloosheid is omschreven als: “zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s worden genomen” (Kamerstukken II 2001-2002, 28 484, nr. 3 (MvT), p. 10). Daarmee lijkt de roekeloosheid in de sfeer van de bewuste schuld te worden gebracht, en doet zich ook (meteen) de vraag voor naar de afgrenzing van roekeloosheid met opzet. Met een wat bredere, rechtshistorische blik bezien is daar ook wel een verband: Vanaf de jaren negentig ontstond een roep om strengere straffen voor de ernstigste gevallen van dood door schuld in het verkeer, er werd zodoende ook meer vervolgd voor ‘doodslag’ in het verkeer, hetgeen leidde tot het zgn. “Porsche”-arrest5 – waarin de HR het opzetbegrip in het verkeer afgrensde – en de introductie van de roekeloosheid sloot daar in zekere zin bij aan.

Tegelijk met de roekeloosheid in het verkeer is de roekeloosheid als strafverzwarende omstandigheid in het Wetboek van Strafrecht terechtgekomen, via de Wet herijking strafmaxima.6 Uiteraard gaat het dan ook om culpoze delicten, met als oervorm de artt. 307 en 308 Sr, het veroorzaken van resp. dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld.7 Voor de uitleg van het begrip roekeloos biedt dat op het punt van de wetsgeschiedenis weinig houvast, omdat die grotendeels hetzelfde is. Richtinggevende jurisprudentie over dat (strafverzwarend) begrip trof ik niet aan. In de literatuur vond ik de volgende passage uit het handboek van Noyon-Langemeijer-Remmelink, ad art. 307 (aant. 5):

“Hoewel inderdaad gezegd kan worden dat ook thans de roekeloosheid onderdeel uitmaakt van de culpa doet de introductie van het begrip in een aantal strafbepalingen toch enige vragen rijzen. Omdat in de wetsgeschiedenis zo nadrukkelijk wordt gesteld dat het gaat om het bewust nemen van onaanvaardbare risico’s lijkt de uitdrukking ‘roekeloosheid’ te zijn voorbehouden aan de bewuste schuld. Zo een uitleg zou evenwel een verschraling en onnodige beperking betekenen. Ook van onbewuste schuld zijn voorbeelden te bedenken die zeer kwalijk en ergerlijk zijn. Een volgende kwestie is de afgrenzing van het voorwaardelijk opzet. Omdat de wetsgeschiedenis de roekeloosheid wel omschrijft als welbewust een onaanvaardbaar groot risico nemen kan men de vraag opwerpen of hier de aanmerkelijke kans bedoeld is die ook het voorwaardelijk opzet kenmerkt. Het komt mij voor dat ook dit een ongewenste insnoering zou betekenen. Uit de geschiedenis van de nieuwe wet blijkt wel dat de wetgever aan de rechter de vrijheid heeft willen laten om het begrip roekeloosheid nader in te vullen. Ik neem daarom aan dat de rechter zich niet in een keurslijf geperst behoeft te voelen”.

Duidelijk is dat de bewerker van het handboek enige afstand neemt van de uit de wetsgeschiedenis te destilleren ‘definitie’ van roekeloosheid. Het betreft dan de eis van de ‘bewuste’ schuld en het onderscheid ten opzichte van opzet, ten aanzien van de aanmerkelijke kans op een onaanvaardbaar gevolg, Al iets van een eigen opvatting etalerend meen ik dat met name de vraag naar de zin van de koppeling van roekeloosheid aan het begrip bewuste schuld terecht wordt opgeworpen. Dat komt omdat het onderscheid tussen bewuste en onbewuste schuld uiteindelijk nogal diffuus is. (Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, Kluwer, 2012, p. 252. Hij noemt de ‘onverschilligheid’ als mengvorm van bewuste en onbewuste culpa. Niettemin kan men wel archetypen onderkennen, zie ook de beschouwing van R. Robroek, Onbewuste culpa, Celsus, Tilburg 2010. De auteur gaat vooral in op de (problematische) strafwaardigheid bij het ontbreken van bewustheid ten aanzien van de gevolgen.)

Maar heel zelden gaat het bij culpoos handelen in het verkeer om één enkel aspect van een verkeerssituatie, waarvan de verkeersdeelnemer zich óf wel óf niet bewust was. Neem als voorbeeld dat van de (op de snelweg) kaartlezende automobilist, die doordat hij zijn aandacht niet op het zich voor hem bevindende verkeer heeft gericht op een file inrijdt, met dodelijke gevolgen. De file heeft hij niet gezien, maar is dat dan onbewuste schuld? Waarop heeft de onbewustheid betrekking: op de verkeerssituatie of de bewustheid van de mogelijk gevolgen van het gedrag? Voor mij is het in ieder geval de vraag of bij roekeloosheid de bewustheid van de risico’s een constitutief vereiste zou moeten zijn. Het lijkt mij vooralsnog dat ook het ‘zo maar wat doen’ in het verkeer roekeloos genoemd zou kunnen worden. Een voorbeeld: de automobilist die op de snelweg de afrit die hij moet hebben voorbijrijdt en na zijn vergissing te hebben bemerkt omdraait en aldus, ‘spookrijdend’, tegen het verkeer in alsnog zijn bestemming wil bereiken maar intussen een dodelijk ongeval veroorzaakt. Voor mij zou dan – als het de vaststelling van roekeloosheid betreft – niet beslissend zijn of de automobilist de vraag van de rechter of hij zich wel gerealiseerd heeft dat zó rijden ‘heel erg gevaarlijk is’ met ja beantwoordt. Ik wijs er daarnaast op dat de Hoge Raad het begrippenpaar bewuste en onbewuste schuld ook niet hanteert. Bij schuld – en voor roekeloosheid geldt hetzelfde – komt het aan “op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.”

Een taalkundige verkenning levert het volgende op. Volgens Van Dale betekent roekeloos: “zonder zorg mbt. de gevolgen van een handeling of het daaraan verbonden gevaar, zeer onbezonnen.” Deze taalkundige ‘definitie’ bevat wat mij betreft ook zinvolle aanknopingspunten voor het strafrechtelijke begrip. Waar bij schuld (culpa) nogal eens in termen van voorzorg wordt gedacht11, en het handelen in strijd daarmee als onvoorzichtig wordt omschreven, kan men bij roekeloosheid dat onderliggende begrip in versterkte mate herkennen: het gaat niet om handelen met onvoldoende (voor)zorg, maar om het (geheel) ontbreken van zorg. Dichterbij het woord roekeloos blijvend: het zich niet geven van rekenschap omtrent de gevolgen van zijn handelen. Het handelen is als het ware ‘ongeremd’. In zijn noot bij HR NJ 2012, 489 duidt Bleichrodt het roekeloos handelen aan als ‘doldriest’. Dat ligt in dezelfde lijn, maar dekt de lading wat mij betreft niet helemaal. Evident is dat bij een strafrechtelijke ‘vertaling’ het begrip roekeloosheid in beginsel een negatieve lading verkrijgt die verbonden is met de achterliggende norm. Simpel gezegd: de roekeloze soldaat kan wellicht (desnoods postuum) een medaille krijgen voor betoonde moed, maar de roekeloze automobilist riskeert de gevangenis.

Nog iets dichter komend bij een eigen opvatting over roekeloosheid meen ik dat ook wel iets gezegd kan worden over de verhouding van roekeloosheid tot het voorwaardelijk opzet, dus het welbewust of willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg. Gezegd zou kunnen worden dat gelet op de omschrijving van roekeloosheid die uit de wetsgeschiedenis blijkt (zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen aanmerkelijke risico’s worden genomen) ‘eigenlijk’ sprake is van voorwaardelijk opzet, en aldus voor de roekeloosheid een klein domein is weggelegd, namelijk bestaande uit die gevallen waarin weliswaar naar uiterlijke verschijningsvorm voorwaardelijk opzet aanwezig lijkt te zijn, maar dit door contra-indicaties uiteindelijk niet aangenomen kan worden. Dat is meer specifiek de situatie uit het Porsche-arrest, dat hierboven al even werd genoemd. Niettemin lijkt mij de roekeloosheid een ruimer begrip. In de gehanteerde omschrijving lezen wij het nemen van risico’s en dat is niet zonder meer het aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een (fataal) gevolg. Vervolgens is het de vraag wat de functie is van de ‘bewustheid’ in deze omschrijving: is inderdaad bedoeld de bewustheid van het mogelijke gevolg uit te drukken of zou het – binnen de context van de culpa – ook de verwijtbaarheid kunnen betreffen? Dan is uiteindelijk geen sprake van een (positief) vast te stellen vereiste, maar is slechts een afgrenzing met straffeloosheid door niet-verwijtbaar ontbreken van bewustheid aangegeven, een omstandigheid die, als we een en ander binnen het strafproces trekken, door de verdediging zal moeten worden aangevoerd. Toegegeven moet worden dat deze lezing iets geforceerd aandoet, maar men zal in de Tweede Kamer nu eenmaal niet – dogmatisch gezien – op elke slak evenveel zout leggen.

Conclusie A-G mr. Harteveld over roekeloosheid

Samengevat zou ik menen dat onder roekeloosheid kan worden verstaan dat verkeersgedrag, dat zich kenmerkt door het ontbreken van elke vorm van voorzichtigheid, waarbij de verkeersdeelnemer (meestal de bestuurder van een motorrijtuig) kennelijk zonder enige remming door of besef van de onaanvaardbare risico’s van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer deelneemt. Daarmee staat hij dus zozeer ver af van het te verwachten min of meer normale verkeersgedrag, waarbij als bekend wel vaker normen worden overtreden (en soms in aanzienlijke mate), dat een strafverzwaring ten opzichte van de ‘gewone’ schuld gerechtvaardigd is, gelet op de evidente gevaarzetting voor het verkeer. Ik zou haast zeggen: het betreft gemeengevaarlijk gedrag.

Samenloop roekeloosheid met alcohol, te hard rijden, kleven, geen voorrang verlenen en gevaarlijk inhalen

Tot slot van deze meer algemene beschouwing, iets over de ‘samenloop’ van roekeloosheid met de strafverzwarende omstandigheden van lid 3 van art. 175 WVW 1994. Op zichzelf leveren deze gelet op de opbouw van art. 175 WVW 1994 niet zonder meer roekeloosheid op, Dat spreekt uiteraard voor zich bij het weigeren van het alcoholonderzoek – slechts het achterliggende drankgebruik kan een factor zijn. Net zo de ernstige overschrijding van de maximumsnelheid: het zal altijd afhangen van de verkeerssituatie in al zijn facetten of de snelheidsoverschrijding een onderdeel uitmaakt van de roekeloosheid. Anderzijds sluit uiteraard het vóórkomen van een van deze strafverzwarende omstandigheden de roekeloosheid begripsmatig niet uit. Een en ander roept wel de verplichting op voor de feitenrechter om er van blijk te geven hoe en in welke mate die specifiek in lid 3 genoemde gedragingen zich verhouden tot de roekeloosheid. Dat vergt dus een extra duiding. Iets anders is dat een cumulatie van de genoemde omstandigheden heel goed de roekeloosheid ‘dichterbij’ kan brengen. Bijvoorbeeld: het, zwaar onder invloed van alcohol (of andere ‘middelen’ uit art. 8 WVW 1994), in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid, gepaard gaand met gevaarlijk inhalen kán duiden op roekeloosheid. In het al eerder genoemde arrest NJ 2013,16 had het hof vastgesteld dat de verdachte de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig had verloren, doordat hij na het gebruik van alcoholhoudende drank met een snelheid die mogelijk boven de 188 km per uur heeft gelegen, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende advies- en maximumsnelheid, door de bocht naar links had gereden, terwijl hij in gesprek was met zijn passagier en zich daarbij regelmatig tot die passagier wendde zonder volledig op de weg te zijn geconcentreerd. Die door het hof zo weergegeven wijze van rijden leverde voor de Hoge Raad niet zonder meer roekeloosheid op. De feitenrechter zal dus, lijkt mij, meer uitleg moeten geven aan de gehele verkeerssituatie, de rol van de overschrijding van de maximumsnelheid daarbinnen en ook meer aandacht moeten besteden aan de effecten van het drankgebruik op het (verkeers)gedrag. De conclusie zou dan kúnnen zijn dat de bestuurder zonder enige remming door of besef van de onaanvaardbare risico’s van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer aldaar heeft deelgenomen.

< Terug naar Meer informatie verkeersongeval door schuld
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden