Advocaat Verkeersstrafrecht https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/ Thu, 11 Jun 2026 06:04:43 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/wp-content/uploads/2025/07/cropped-httpswww.advocaat-verkeersstrafrecht.nl_-32x32.png Advocaat Verkeersstrafrecht https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/ 32 32 Meerdere keren geflitst tijdens één route: juridische duiding https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/meerdere-keren-geflitst-tijdens-een-route-juridische-duiding/ Thu, 11 Jun 2026 06:02:59 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4457 Wanneer iemand tijdens één route meerdere keren wordt geflitst voor snelheidsovertredingen, geldt als uitgangspunt dat iedere afzonderlijke overtreding in beginsel tot een aparte administratieve sanctie (Mulderbeschikking) kan leiden. Dit volgt uit de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De bijlage bij de WAHV bepaalt per gedraging de hoogte van de sanctie en deze bedragen zijn gefixeerd; […]

The post Meerdere keren geflitst tijdens één route: juridische duiding appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Wanneer iemand tijdens één route meerdere keren wordt geflitst voor snelheidsovertredingen, geldt als uitgangspunt dat iedere afzonderlijke overtreding in beginsel tot een aparte administratieve sanctie (Mulderbeschikking) kan leiden. Dit volgt uit de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De bijlage bij de WAHV bepaalt per gedraging de hoogte van de sanctie en deze bedragen zijn gefixeerd; afwijking is slechts mogelijk bij bijzondere omstandigheden.
Bij strafrechtelijke boetes (> snelheid meer dan 30 km/u) geldt dit ook als uitgangspunt.

Voortgezette handeling bij meerdere keren geflitst

Er kan sprake zijn van een “voortgezette handeling” (art. 56 Sr), waarbij meerdere overtredingen als één feit worden beschouwd. In de praktijk wordt dit criterium echter zeer restrictief toegepast. Het enkele feit dat iemand op dezelfde route binnen korte tijd meerdere keren wordt geflitst, leidt niet snel tot het aannemen van een voortgezette handeling. Zo is bijvoorbeeld geoordeeld dat bij twee snelheidsoverschrijdingen binnen één minuut géén sprake is van een voortgezette handeling (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5310). Ook bij het passeren van verschillende verkeerssituaties (zoals het wisselen van snelwegen of het passeren van nieuwe borden) wordt doorgaans aangenomen dat sprake is van afzonderlijke gedragingen (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5158).

Het ne bis in idem-beginsel (art. 68 Sr) verhindert dat iemand tweemaal voor exact hetzelfde feit wordt bestraft. In het verkeersrecht wordt echter aangenomen dat afzonderlijke snelheidsovertredingen, ook als ze kort na elkaar plaatsvinden op dezelfde route, als afzonderlijke feiten worden beschouwd. Alleen als een sanctie voor de eerste overtreding al is opgelegd vóór constatering van de tweede, kan dit anders zijn (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5154).

Jurisprudentie meerdere snelheidsovertredingen

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5310: geen voortgezette handeling bij twee snelheidsoverschrijdingen binnen één minuut.
  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5158: nieuwe verkeerssituatie betekent nieuwe overtreding.
  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5154: geen sprake van meerdere overtredingen als voor de eerste al een sanctie is opgelegd vóór constatering van de tweede

Conclusie bij meerdere keren geflitst

Meerdere keren geflitst worden tijdens één route leidt in de regel tot meerdere afzonderlijke sancties, tenzij sprake is van een uitzonderlijke samenloop of voortgezette handeling, wat in de praktijk zelden wordt aangenomen.

The post Meerdere keren geflitst tijdens één route: juridische duiding appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Laboratorium heeft het onderste tekstblok opdrachtformulier toxicologisch bloedonderzoek niet ingevuld https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/laboratorium-heeft-het-onderste-tekstblok-opdrachtformulier-toxicologisch-bloedonderzoek-niet-ingevuld/ Thu, 04 Jun 2026 15:50:40 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4455 Het laboratorium moet op het aanvraagformulier / opdrachtformulier voor het toxicologisch bloedonderzoek altijd invullen of de bloedmonsters verzegeld zijn ontvangen en wanneer de bloedmonsters zijn ontvangen. In de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 4 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3921 leidde het niet invullen van het onderste tekstblok tot vrijspraak. De rechtbank overwoog: “Verdachte heeft weliswaar verklaard dat […]

The post Laboratorium heeft het onderste tekstblok opdrachtformulier toxicologisch bloedonderzoek niet ingevuld appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Het laboratorium moet op het aanvraagformulier / opdrachtformulier voor het toxicologisch bloedonderzoek altijd invullen of de bloedmonsters verzegeld zijn ontvangen en wanneer de bloedmonsters zijn ontvangen.

In de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 4 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3921 leidde het niet invullen van het onderste tekstblok tot vrijspraak. De rechtbank overwoog:

“Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij alcohol heeft gedronken, maar niet dat hij meer heeft gedronken dan de toegestane hoeveelheid. Daarnaast blijkt uit de zich in het proces-verbaal bevindende aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed, niet dat de aanvraag verzegeld is ontvangen en wanneer deze is ontvangen. Hierdoor is bij het bloedonderzoek een strikte waarborg geschonden en kan niet gesproken worden van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW. Het enkele feit dat blijkens de mededeling van verbalisant de bloedmonsters verzegeld zijn verzonden, wijzigt dit oordeel niet. De onderzoeker die de bloedmonsters in ontvangst neemt, moet (ook) vaststellen dat de monsters verzegeld waren bij ontvangst. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van het rijden onder invloed van alcohol, zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair.”

In de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 september 2023,  ECLI:NL:GHARL:2023:7701 speelde dit ook. Het gerechtshof oordeelde:

“Van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omkleed. Tot die waarborgen behoort onder meer de waarborg genoemd in artikel 13, eerste lid, onder d van het Besluit, inhoudende dat bloedmonsters zo spoedig mogelijk worden bezorgd bij het geaccrediteerde laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1990 (ECLI:NL:HR:1990:AD6972) moet hieronder worden begrepen dat de bloedmonsters ook zonder uitstel worden toegezonden aan het laboratorium. Deze waarborg is een strikte waarborg, zodat het onderzoek bij het niet naleven daarvan niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

Op basis van het proces-verbaal rijden onder invloed van 15 januari 2019 stelt het hof vast dat de bloedmonsters op 8 november 2018 om 19:20 uur bij verdachte zijn afgenomen. Blijkens dit proces-verbaal heeft de verbalisant zich ervan vergewist dat het bloedmonster is verzonden naar het NFI te Den Haag. Wanneer verzending heeft plaatsgevonden blijkt daaruit niet, terwijl tevens onbekend is wanneer de bloedmonsters zijn ontvangen door het NFI. Uit het ‘Rapport drugs in het verkeer’ van 30 november 2018 blijkt dat de bloedmonsters op 14 november 2018 per koerier zijn ontvangen door drs [Forensisch Toxicoloog NRGD] , Forensisch Toxicoloog NRGD, Medische Laboratoria [Medische Laboratoria] .

Het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen op welke datum de bloedmonsters zijn verzonden, noch op welke datum het NFI de monsters heeft ontvangen en evenmin op welke datum de monsters door het NFI zijn doorgestuurd naar het laboratorium in Duitsland, waaruit mogelijk een ontvangstdatum door het NFI had kunnen worden afgeleid. Het hof kan enkel vaststellen dat de bloedmonsters op 14 november 2018 – en daarmee 6 dagen na het afnemen daarvan – in een geaccrediteerd laboratorium in Duitsland zijn aangekomen. Dit tijdsverloop kan in dit geval, omdat er geen enkele duidelijkheid bestaat over de verzenddatum vanaf politie naar NFI, en evenmin over de ontvangst- en doorzenddata vanaf NFI naar Duitsland niet beoordeeld worden in het kader van de toetsing “ zo spoedig mogelijk”. Naar het oordeel van het hof kan de wijze van verzending onder deze omstandigheden, gezien ook het belang dat gediend is met een zorgvuldige vermelding van verzend- en ontvangstdata bij het verzenden van bloedmonsters, namelijk het kunnen toetsen of aan de strikte waarborg is voldaan, dan ook niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk bezorgen’, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder d van het Besluit. Het hof oordeelt dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat aan de betreffende waarborg is voldaan.

Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van verdovende middelen een personenauto heeft bestuurd. Dat verdachte bij de politie heeft verklaard voorafgaand aan het besturen van een personenauto methadon te hebben gebruikt doet hieraan niet af, nu op grond van die verklaring immers niet kan worden vastgesteld dat verdachte daarmee ook de in het Besluit vermelde grenswaarden heeft overschreden.

Voorts merkt het hof op dat uit het proces-verbaal rijden onder invloed van 15 januari 2019 blijkt dat verbalisant [verbalisant] heeft vermeld dat deze de bij verdachte afgenomen bloedmonsters heeft verzegeld voorafgaand aan verzending. Het hof acht het enkele feit dat blijkens de mededeling van de verbalisant de bloedmonsters verzegeld zijn verzonden niet voldoende. De onderzoeker die de bloedmonsters in ontvangst neemt, moet (ook) vaststellen dat de monsters verzegeld waren bij ontvangst. Uit de zich in het proces-verbaal bevindende aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed blijkt niet of het NFI de aanvraag verzegeld heeft ontvangen, nu dit tekstblok niet is ingevuld. Het hof is van oordeel dat het voorgaande de mogelijkheid open laat dat de bloedmonsters niet verzegeld zijn aangekomen bij het laboratorium in Duitsland.

The post Laboratorium heeft het onderste tekstblok opdrachtformulier toxicologisch bloedonderzoek niet ingevuld appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Te hoge snelheid reden voor bewezenverklaring artikel 6 WVW https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/te-hoge-snelheid-reden-voor-bewezenverklaring-artikel-6-wvw/ Thu, 14 May 2026 19:39:31 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4448 Een (veel) te hoge snelheid is vaak al wel voldoende reden om te komen tot een bewezenverklaring bij artikel 6 WVW, vaak ook al had de verdachte voorrang. We zien hier verschillende voorbeelden van in de jurisprudentie. ECLI:NL:GHSHE:2016:5097 De verdachte rijdt in het donker met veel te hoge snelheid in de bebouwde kom over een […]

The post Te hoge snelheid reden voor bewezenverklaring artikel 6 WVW appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Een (veel) te hoge snelheid is vaak al wel voldoende reden om te komen tot een bewezenverklaring bij artikel 6 WVW, vaak ook al had de verdachte voorrang. We zien hier verschillende voorbeelden van in de jurisprudentie.

  • ECLI:NL:GHSHE:2016:5097

De verdachte rijdt in het donker met veel te hoge snelheid in de bebouwde kom over een weg met oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers. Fietser steekt plotseling de weg over. Er ontstaat een aanrijding, waarbij de fietser overlijdt. De snelheid van de verdachte bedroeg 91 km/h waar 50 was toegestaan, de snelheidsovertreding was dus ongeveer gelijk aan de gemeten snelheid in uw zaak. Het hof oordeelt dat er sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en veroordeelt de verdachte – zonder aftrek door te lange behandeling – voor een taakstraf van 180 uur. Daarnaast een rijverbod van 12 maanden.

  • ECLI:NL:GHAMS:2022:3523 (cassatieberoep verworpen o.g.v. 81 RO)

Dit betreft wederom een redelijk gelijke zaak. De verdachte reed ‘s nachts over een weg en heeft een fietser aangereden. De precieze snelheid van de auto blijft onduidelijk, maar ligt in ieder geval veel hoger dan de toegestane snelheid. De indicaties liggen tussen de 30 en meer dan 55 kilometer te hard. Dit komt daardoor redelijk overeen met uw omstandigheden. Daarnaast blijft onduidelijk of het slachtoffer geen licht aanhad en of zij eventueel door rood was gereden. Bovendien overweegt het Hof “Dat [slachtoffer] mogelijk het voorlicht van haar fiets niet aan had – met welke omstandigheid overigens rekening is gehouden in het zichtonderzoek – of dat zij mogelijk door rood is gereden, doet niet af aan het feit dat het verkeersongeval aan de verdachte is te verwijten.” Het Hof stelt dat er sprake is geweest van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een rijontzegging van 2 jaar.

  • ECLI:NL:RBALK:2010:BL4411

Hierbij is vastgesteld dat de verdachte met een snelheid van 20 km/h te hard heeft gereden. Daarnaast was het zicht wel deels ontnomen en had hij snelheid moeten minderen. Tevens zaten de fietsers ook fout doordat zij aan de verkeerde kant van de weg reden en overstaken. Rechtbank komt tot het oordeel dat er sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag en veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 240 uur en een rijontzegging van 1 jaar.

Zie ook de noot van Keizer bij  HR, 24-06-2008 in NJ 2008, 442 waar hij opmerkt dat “Op het verweer dat de overstekende fietsers hem in beginsel voorrang dienden te verlenen zijn Hof en Hoge Raad niet uitdrukkelijk ingegaan; het is echter vaste rechtspraak dat wie te snel rijdt er niet op mag vertrouwen dat men zijn voorrang respecteert.”

  • ECLI:NL:RBOBR:2025:7693

Verdachte reed 115 waar 50 mocht. Rechtbank is van mening dat er sprake is van “zeer hoge mate van schuld”. Er is sprake van zwaar lichamelijk letsel en niet van dood, derhalve een taakstraf van 160 uur en een deels voorwaardelijke rijontzegging van 160 uur.

The post Te hoge snelheid reden voor bewezenverklaring artikel 6 WVW appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Meeroken met cannabis kan nauwelijks leiden tot verhoogde THC-uitslag https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/meeroken-met-cannabis-kan-nauwelijks-leiden-tot-verhoogde-thc-uitslag/ Thu, 02 Apr 2026 12:49:40 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4442 Bij passieve blootstelling aan cannabis kunnen slechts onder zeer extreme omstandigheden meetbare concentraties worden vastgesteld, bijvoorbeeld na langdurig verblijf in een kleine, afgesloten ruimte zonder ventilatie waar intensief cannabis wordt gerookt. Zelfs in dergelijke situaties zijn de gemeten concentraties doorgaans laag en slechts zeer kortdurend aantoonbaar. Vaak zijn de bij een keuring of bloedonderzoek aangetroffen […]

The post Meeroken met cannabis kan nauwelijks leiden tot verhoogde THC-uitslag appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Bij passieve blootstelling aan cannabis kunnen slechts onder zeer extreme omstandigheden meetbare concentraties worden vastgesteld, bijvoorbeeld na langdurig verblijf in een kleine, afgesloten ruimte zonder ventilatie waar intensief cannabis wordt gerookt. Zelfs in dergelijke situaties zijn de gemeten concentraties doorgaans laag en slechts zeer kortdurend aantoonbaar. Vaak zijn de bij een keuring of bloedonderzoek aangetroffen waarde hiervoor te hoog en kan dit  op basis van de beschikbare literatuur niet door passieve blootstelling worden verklaard.
Ik verwijs hiervoor naar het onderzoek van Rohrich et al. (Journal of Analytical Toxicology, Vol. 34, May 2010). “Furthermore, the results of this study indicate that”passive exposure to cannabis smoke may only lead to trace amounts of THC in serum. Apparently, the THC serum concentrations are considerably below 1 ng/mL during or for a short time after exposure, and the concentrations of THCCOOH in serum do not exceed levels of about 2 ng/mL.”

The post Meeroken met cannabis kan nauwelijks leiden tot verhoogde THC-uitslag appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Dexamfetamine in bloedonderzoek politie https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/dexamfetamine-in-bloedonderzoek-politie/ Thu, 05 Mar 2026 21:16:41 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4439 Bij gebruik van dexamfetamine kan in het bloedonderzoek van de politie wel een verhoogde uitslag op amfetamine worden vastgesteld. Het ADHD-medicijn dexamfetamine kan er voor zorgen dat je bloedwaarden positief zijn op amfetamine. Let op dat daarbij dan geen sprake kan zijn van MDMA en/of MDA (en andere vormen van amfetamine zoals methamfetamine) in het […]

The post Dexamfetamine in bloedonderzoek politie appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Bij gebruik van dexamfetamine kan in het bloedonderzoek van de politie wel een verhoogde uitslag op amfetamine worden vastgesteld.

Het ADHD-medicijn dexamfetamine kan er voor zorgen dat je bloedwaarden positief zijn op amfetamine. Let op dat daarbij dan geen sprake kan zijn van MDMA en/of MDA (en andere vormen van amfetamine zoals methamfetamine) in het bloed. Wanneer dat wel gevonden is komt de amfetamine in het bloed hoogstwaarschijnlijk niet van dexamfetamine, maar is het (een afbraakproduct) van andere drugs.

Om te bepalen of de amfetamine in iemands bloed nog als therapeutisch is te zien of niet (en daarmee dus niet strafbaar) moet je kijken naar de dosering die staat op zijn recept. Voor het gemak kan je deze formule gebruiken om tot de maximale toegestane hoeveelheid microgram amfetamine per liter bloed te komen:

x * 5,325 waarbij x de hoeveel mg is die iemand dagelijks aan dexamfetamine slikt.

Dus als voorbeeld, als iemand 4 keer per dag 20 mg dexamfetamine slikt is de formule: (4 * 20) * 5,325 = 426 µg/L. Dat betekent dat die persoon maximaal 426 µg/L amfetamine in zijn bloed kan hebben, om zijn bloedwaardes nog als therapeutisch aan te merken.

Let op: bij methylfenidaat geen positieve bloeduitslag

Amfetamine komt niet voor in geneesmiddelen die methylfenidaat of atomoxine als werkzaam bestanddeel hebben. Het gaat dan om geneesmiddelen als Concerta, Equasym, Kinecteen, Medikinet, Ritalin, Audalis en Strattera.
Dat betekent dat de uitslag van het bloedonderzoek niet beïnvloed kan worden door het gebruik van een van die geneesmiddelen. Dat komt doordat die geneesmiddelen een andere chemische structuur hebben dan amfetamine.
Bij het gebruik van deze geneesmiddelen zal het bloedonderzoek van de politie niet positief zijn voor de andere amfetamine-achtige stoffen als MDMA, MDA, MDEA en methamfetamine.

The post Dexamfetamine in bloedonderzoek politie appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
Weigering bloedonderzoek vanwege naaldenfobie https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/weigering-bloedonderzoek-vanwege-naaldenfobie/ https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/weigering-bloedonderzoek-vanwege-naaldenfobie/#respond Wed, 28 Jan 2026 16:03:09 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4433 We horen het steeds vaker. De verdachte weigert het bloedonderzoek omdat hij een naaldenfobie heeft. Is dit een legitieme reden? Ja en nee, is daarop het antwoord. Strikt formeel, blijft de verdachte gewoon verplicht om mee te werken aan het bloedonderzoek. In eerdere jurisprudentie uit 2019, voorafgaand aan de wetswijziging in 2017 staat dat een […]

The post Weigering bloedonderzoek vanwege naaldenfobie appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
We horen het steeds vaker. De verdachte weigert het bloedonderzoek omdat hij een naaldenfobie heeft. Is dit een legitieme reden? Ja en nee, is daarop het antwoord. Strikt formeel, blijft de verdachte gewoon verplicht om mee te werken aan het bloedonderzoek.

In eerdere jurisprudentie uit 2019, voorafgaand aan de wetswijziging in 2017 staat dat een angst voor naalden over het algemeen niet als een dergelijke reden kan worden gezien (Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:264.)

In een latere zaak is dit nog eens bevestigd door het gerechtshof ‘s-Hertogenbiosch (ECLI:NL:GHSHE:2023:4124).

“Het bevelen dat medewerking wordt verleend aan een bloedonderzoek kan worden gedaan in het geval van vermoeden van rijden onder invloed van alcohol dan wel van een andere stof (vgl. HR 27 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4077/NJ 2007, 156). Bij verbalisanten ontstond gelet op de henneplucht, de bloeddoorlopen ogen en de agressieve reactie op aanrakingen van de verdachte het vermoeden dat hij naast alcoholhoudende drank tevens onder invloed was van een stof als bedoeld in het eerste of vijfde lid van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Door de verbalisanten werd besloten om op grond van artikel 163, lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994 over te gaan tot bloedonderzoek. Daarnaar gevraagd gaf de verdachte geen toestemming tot bloedafname. Nadat hem vervolgens werd bevolen mee te werken aan het bloedonderzoek, weigerde de verdachte dit. Als reden voor de weigering gaf de verdachte op dat hij bang was voor het prikken met naalden.

De wettelijke uitzondering van artikel 163, zevende lid van de Wegenverkeeerswet 1994 op de verplichting om – na gegeven bevel daartoe – medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek op grond van die wetsbepaling, op welke uitzondering de verdediging kennelijk een beroep doet, is komen te vervallen per 15 maart 2018. Het verweer van de verdediging dat de betreffende verplichting op grond van hiervoor bedoelde uitzonderingsbepaling niet zou gelden voor de verdachte, vindt dan ook geen steun in het recht, zodat het verweer door het hof terzijde wordt geschoven.”

Hieruit kan in ieder geval worden opgemaakt dat de bepaling waar de verdediging een beroep op deed geen bestaand recht meer is.

Hierdoor blijft er alleen een mogelijkheid over op andere algemene strafuitsluitingsgronden, zoals overmacht (ECLI:NL:PHR:2025:1260). De kans van slagen is over het algemeen laag.

Het verweer kan wel worden gevoerd als strafmaatverweer of om een beroep op artikel 9a Sr (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel) te doen. Daarvoor is wel vereist dat ook medisch komt vast te staan dat er sprake is van een naaldenfobie. Aangetoond moet minimaal worden dat u al bekend bent met een naaldenfobie, bijvoorbeeld via een verklaring van de huisarts of het overleggen van medische informatie waaruit dat volgt.

 

  • Ten slotte heb ik nog een zaak van vorige jaar waarin:

 

The post Weigering bloedonderzoek vanwege naaldenfobie appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/weigering-bloedonderzoek-vanwege-naaldenfobie/feed/ 0
Vrijspraak na verzuim wijzen op consultatierecht advocaat voor stellen vragen over betrokkenheid verkeersongeval https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/vrijspraak-na-verzuim-wijzen-op-consultatierecht-advocaat-voor-stellen-vragen-over-betrokkenheid-verkeersongeval/ https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/vrijspraak-na-verzuim-wijzen-op-consultatierecht-advocaat-voor-stellen-vragen-over-betrokkenheid-verkeersongeval/#respond Mon, 29 Sep 2025 17:03:03 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4419 We zien het best vaak gebeuren dat bij het verlaten van de plaats van het ongeval de politie bij de kentekenhouder van de auto aan de deur gaan met de bedoeling om vragen te stellen over diens betrokkenheid bij een verkeersongeval. Op zich kan dat wel, maar de politie is verplicht om een verdachte dan […]

The post Vrijspraak na verzuim wijzen op consultatierecht advocaat voor stellen vragen over betrokkenheid verkeersongeval appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
We zien het best vaak gebeuren dat bij het verlaten van de plaats van het ongeval de politie bij de kentekenhouder van de auto aan de deur gaan met de bedoeling om vragen te stellen over diens betrokkenheid bij een verkeersongeval. Op zich kan dat wel, maar de politie is verplicht om een verdachte dan te wijzen op het zwijgrecht en ook het recht op consultatie van een advocaat. Dat volgt uit HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1781. In die zaak strafte de Hoge Raad een verzuim van de politie om de verdachte op deze rechten te wijzen af. De Hoge Raad overwoog het volgende:

“Wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor. Op grond van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt als verdachte aangemerkt de persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:853.)
Op grond van artikel 27c lid 2 Sv moet aan de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling worden gedaan van het in artikel 28 lid 1 Sv gewaarborgde recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Als dat voorschrift niet is nageleefd, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt dat zo’n vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in beginsel moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van die mededeling niet in zijn verdediging is geschaad. (Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368.)

2.3.2Het hof heeft het onder 2.2.3 weergegeven verweer verworpen op de grond dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit toen de opsporingsambtenaren aan de verdachte op 26 april 2018 in zijn woning vroegen ‘wat hij vanochtend had gedaan’ en – na zijn antwoord dat hij zijn dochter naar school had gebracht – ‘of er ook niet iets was wat zij moesten weten’. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Gelet op de omstandigheden, zoals deze blijken uit het door het hof voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van bevindingen, dat de verdachte voldeed aan het signalement van de bij het ongeval betrokken bestuurder en dat de opsporingsambtenaren bij hem waren gekomen door de tip dat hij de eigenaar was van de in zijn straat geparkeerde auto – met mogelijke schade aan de voorzijde – die wat betreft merk, type, kleur en het door getuigen waargenomen deel van het kenteken overeenkwam met de bij het ongeval betrokken auto, kunnen de aan de verdachte gestelde vragen niet anders worden opgevat dan als vragen over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit – kort gezegd: het verlaten van de plaats van het ongeval – ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt.

2.3.3De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

The post Vrijspraak na verzuim wijzen op consultatierecht advocaat voor stellen vragen over betrokkenheid verkeersongeval appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/vrijspraak-na-verzuim-wijzen-op-consultatierecht-advocaat-voor-stellen-vragen-over-betrokkenheid-verkeersongeval/feed/ 0
Ongevalsschade is rechtstreekse schade bij artikel 7 WVW https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/ongevalsschade-is-rechtstreekse-schade-bij-artikel-7-wvw/ https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/ongevalsschade-is-rechtstreekse-schade-bij-artikel-7-wvw/#respond Mon, 29 Sep 2025 16:51:14 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4417 In HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1651 speelde de vraag of ongevalsschade rechtstreekse schade is als bedoeld in artikel 7 WVW, in die zin dat een benadeelde partij van het verlaten van de plaats van het ongeval zich kan voegen in het strafproces en in dat verband schade kan vorderen, bijvoorbeeld na beschadiging van het voertuig. […]

The post Ongevalsschade is rechtstreekse schade bij artikel 7 WVW appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
In HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1651 speelde de vraag of ongevalsschade rechtstreekse schade is als bedoeld in artikel 7 WVW, in die zin dat een benadeelde partij van het verlaten van de plaats van het ongeval zich kan voegen in het strafproces en in dat verband schade kan vorderen, bijvoorbeeld na beschadiging van het voertuig. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend:

2.3Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.3.1.)
Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek aan de verdachte kan worden toegerekend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.1.)

2.4Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte een ongeval heeft veroorzaakt doordat hij, tijdens het passeren van een andere auto, tegen de Volkswagen Golf van de benadeelde partij is gebotst, en dat hij de plaats van dit ongeval heeft verlaten. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade, waaronder schade aan de Volkswagen Golf, voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden getuigt, gelet op wat is overwogen onder 2.3, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk het in zijn beslissing besloten liggende oordeel van het hof dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden het gevolg is van de vastgestelde, aan de verdachte toe te rekenen onrechtmatige gedragingen (in het bijzonder: het door de verdachte veroorzaakte ongeval waarbij de auto van de benadeelde partij is beschadigd), een en ander in de hiervoor onder 2.3 bedoelde zin.

The post Ongevalsschade is rechtstreekse schade bij artikel 7 WVW appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/ongevalsschade-is-rechtstreekse-schade-bij-artikel-7-wvw/feed/ 0
Vrijspraak art. 7 WVW in verband met het niet merken van aanrijding https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/vrijspraak-art-7-wvw-in-verband-met-het-niet-merken-van-aanrijding/ https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/vrijspraak-art-7-wvw-in-verband-met-het-niet-merken-van-aanrijding/#respond Mon, 29 Sep 2025 15:13:22 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4415 In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, 5 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6628 stond de vraag centraal of de verdachte de aanrijding (met een kind) had moeten merken. De rechtbank achtte uiteindelijk niet bewezen dat de verdachte die aanrijding had gemerkt of redelijkerwijs had moeten merken en sprak hem vrij. De rechtbank overwoog als volgt: “Ten eerste […]

The post Vrijspraak art. 7 WVW in verband met het niet merken van aanrijding appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, 5 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6628 stond de vraag centraal of de verdachte de aanrijding (met een kind) had moeten merken. De rechtbank achtte uiteindelijk niet bewezen dat de verdachte die aanrijding had gemerkt of redelijkerwijs had moeten merken en sprak hem vrij. De rechtbank overwoog als volgt:

Ten eerste acht de rechtbank het mogelijk dat verdachte, in zijn afgesloten auto met de kachelventilator en de radio aan, de bons en het gegil ofwel niet heeft gehoord, ofwel daaraan niet de conclusie heeft verbonden dat hij betrokken was bij een aanrijding, omdat hij het geluid gedempt heeft waargenomen.’

Ten tweede acht de rechtbank het mogelijk dat verdachte, in het donker in een straat met veel geparkeerde auto’s, een vierjarig kind, dat mogelijk van achter een geparkeerde auto plotseling vlak voor de auto van verdachte de straat op is gerend, niet heeft gezien.

De politie trekt de conclusie dat het slachtoffer vóór de aanrijding zichtbaar is geweest voor verdachte, op basis van een reconstructie van het ongeval met een pop van dezelfde lengte als het slachtoffer. De pop draag dezelfde (donker)blauwe jas, sjaal en muts als het slachtoffer. Op de foto van de reconstructie is te zien dat de pop overeind wordt gehouden doormiddel van hulpmiddelen, waarbij de capuchon van de jas van het slachtoffer binnenstebuiten is gekeerd.1 Omdat de binnenkant van de capuchon een feloranje kleur heeft, is deze relatief zichtbaar ten opzichte van de overige, blauwe kleding. Het dossier biedt echter geen aanknopingspunten dat het slachtoffer zijn capuchon dusdanig zichtbaar droeg. Verder valt op dat in deze reconstructie de pop rechtop in stilstand voor de auto van verdachte is gezet. Het dossier sluit echter allerminst uit dat het slachtoffer van achter een geparkeerde auto plotseling de straat op is gerend, en zodoende slechter zichtbaar is geweest dan uit de reconstructie zou blijken. De officier van justitie heeft de zichtbaarheid van het slachtoffer voor verdachte vóór de aanrijding ook niet in zijn bewijsredenering betrokken.
Rechtsvoor op de motorkap van de auto van verdachte is DNA van het slachtoffer en een vezel van zijn muts aangetroffen. Hieruit concludeert de rechtbank dat het hoofd van het slachtoffer op enig moment contact heeft gemaakt met de motorkap van verdachte. De mogelijk korte duur van dit contact en het verminderde zicht door het ontbreken van daglicht maken echter dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat verdachte dit contact heeft gezien of had behoren te zien.

‘Ten derde acht de rechtbank het mogelijk dat verdachte de aanrijding met het slachtoffer niet heeft gevoeld. Op grond van de schade aan de auto, het op de auto aangetroffen DNA van het slachtoffer, de aangetroffen vezel van zijn muts en zijn letsel, concludeert de rechtbank dat het slachtoffer rechtsvoor op de motorkap en aan de rechteronderzijde van de auto contact met de auto van verdachte heeft gemaakt. Mede omdat het slachtoffer een kind van vier jaar oud was en de auto van verdachte een gemiddeld grote en zware auto betreft, kan hier niet de conclusie uit worden getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanrijding van het slachtoffer heeft gevoeld. Dit volgt ook niet uit het schadebeeld aan de auto. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat er sprake is van zeer geringe schade aan de auto, te weten een kleine deuk in de motorkap en enige verstoringen van het vuil op de motorkap en bij de rechterkoplamp. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen, dat de kleine deuk in de motorkap van de auto het gevolg is geweest van de betreffende aanrijding, omdat verdachte heeft verklaard dat deze deuk al vóór het ongeval in de motorkap zat en de resultaten van het forensisch onderzoek deze verklaring niet ontkrachten. Het DNA en de blauwe vezel uit de muts van het slachtoffer zijn immers niet in deze deuk, maar op enige afstand van deze deuk op de motorkap aangetroffen.’

‘Ten slotte acht de rechtbank het feit dat verdachte na de aanrijding niet is gevlucht, maar enkele tientallen meters verderop, in het zicht van de omstanders van het ongeval, gewoontegetrouw de carport van zijn woning is ingereden, een indicatie dat verdachte inderdaad niets van de aanrijding heeft gemerkt.’

The post Vrijspraak art. 7 WVW in verband met het niet merken van aanrijding appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/vrijspraak-art-7-wvw-in-verband-met-het-niet-merken-van-aanrijding/feed/ 0
Bekendmaking uitslag bloedonderzoek had naar GBA-adres in Polen gestuurd kunnen worden https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/bekendmaking-uitslag-bloedonderzoek-had-naar-gba-adres-in-polen-gestuurd-kunnen-worden/ https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/bekendmaking-uitslag-bloedonderzoek-had-naar-gba-adres-in-polen-gestuurd-kunnen-worden/#respond Sun, 28 Sep 2025 08:21:46 +0000 https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/?p=4411 In de zaak van HR, 22 april 2025,  ECLI:NL:HR:2025:643 ging het om de vraag of de uitslag van het bloedonderzoek naar een adres in Polen moet worden gestuurd als de verdachte geen in Nederland bekend woonadres meer heeft. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend: “Van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 is slechts sprake […]

The post Bekendmaking uitslag bloedonderzoek had naar GBA-adres in Polen gestuurd kunnen worden appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
In de zaak van HR, 22 april 2025,  ECLI:NL:HR:2025:643 ging het om de vraag of de uitslag van het bloedonderzoek naar een adres in Polen moet worden gestuurd als de verdachte geen in Nederland bekend woonadres meer heeft. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend:

“Van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 is slechts sprake als waarborgen zijn nageleefd waarmee wetgever dat onderzoek met oog op betrouwbaarheid van resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR:2020:1684). Voorschrift van art. 17 Besluit dat verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek, betreft strikte waarborg (vgl. HR:2021:1793). Uit ‘s hofs vaststellingen volgt dat (i) verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor door politie geen adres heeft opgegeven waar uitslag van bloedonderzoek naartoe kon worden gestuurd, (ii) verdachte niet in kennis is gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek maar dat is volstaan met kennisgeving die was gericht aan adres onbekend, en (iii) reden voor het achterwege laten van kennisgeving aan verdachte erin was gelegen dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat omstandigheid dat kennisgeving de verdachte niet heeft bereikt, niet eraan in de weg staat dat sprake is van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994, omdat het aan verdachte is te wijten dat hij zich niet heeft laten inschrijven in BRP en hij ook niet bij politie adresgegevens heeft opgegeven. Art. 17 Besluit vereist dat opsporingsambtenaar de verdachte schriftelijk in kennis stelt van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek. Dit voorschrift waarborgt o.m. dat verdachte gebruik kan maken van recht op tegenonderzoek op moment dat afgenomen bloed daarvoor nog beschikbaar is. In het geval dat door verdachte geen adres is opgegeven waaraan kennisgeving kan worden gedaan, maar opsporingsambtenaar door raadpleging van BRP-gegevens wel actueel adres van verdachte kan achterhalen, moet kennisgeving naar dat adres worden verzonden. Nu uit stukken blijkt dat van verdachte op moment dat politie het resultaat van bloedonderzoek ontving, in BRP een adres in Polen stond geregistreerd, heeft hof miskend dat kennisgeving naar dat adres in Polen had kunnen en moeten worden verzonden. Dat verdachte op dat moment niet was ingeschreven op adres in Nederland, leidt daarbij niet tot ander oordeel.”

Uitspraak Hoge Raad:

3.2.3

Bij de stukken bevinden zich:

– een brief van de politie eenheid Den Haag van 2 april 2020 aan de verdachte, waarin de uitslag van het bloedonderzoek is medegedeeld en de verdachte is gewezen op het recht om een tegenonderzoek te laten verrichten. Deze brief is geadresseerd aan [verdachte] , “Onbekend 9999, ZVWOVP (de Hoge Raad begrijpt: zonder vaste woon- of verblijfplaats), ONBEKEND”;

– een ‘ID Staat (Op basis van identificatie met biometrie)’ van 2 maart 2020, die de volgende informatie bevat: de verdachte heeft de Poolse nationaliteit, hij heeft als adres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) [a-straat 1] [plaats] , [nummer] , Polen en als zijn laatste feitelijke woon- of verblijfplaats is vermeld “ZVWOVP”;

– een informatiestaat SKDB-persoon van de verdachte van 8 april 2021, die de volgende informatie bevat: de verdachte is niet-ingezetene, hij heeft met ingang van 23 september 2017 als BRP-adres voornoemd adres in Polen, en als zijn laatste feitelijke woon- of verblijfplaats is vermeld “ZVWOVHTL” (de Hoge Raad begrijpt: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande) met als gemeente en land “ [plaats] , Nederland” en als registratiedatum 10 maart 2021.

3.3.1De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.

3.3.2

Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang:

– artikel 8 lid 5 WVW 1994:

“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”

– artikel 17 Besluit:

“De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.”

3.4Van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684). Het voorschrift van artikel 17 Besluit dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek, betreft een strikte waarborg (vgl. HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1793).

3.5Uit de vaststellingen van het hof volgt dat (i) de verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor door de politie geen adres heeft opgegeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naartoe kon worden gestuurd, (ii) de verdachte niet in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek, maar dat is volstaan met een kennisgeving die was gericht aan adres onbekend, en (iii) de reden voor het achterwege laten van de kennisgeving aan de verdachte erin was gelegen dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat de omstandigheid dat de kennisgeving de verdachte niet heeft bereikt, niet eraan in de weg staat dat sprake is van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994, omdat het aan de verdachte is te wijten dat hij zich niet heeft laten inschrijven in de BRP en hij ook niet bij de politie adresgegevens heeft opgegeven.

3.6.1Artikel 17 Besluit vereist dat de opsporingsambtenaar de verdachte schriftelijk in kennis stelt van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Dit voorschrift waarborgt onder meer dat de verdachte gebruik kan maken van het recht op tegenonderzoek op een moment dat het afgenomen bloed daarvoor nog beschikbaar is. In het geval dat door de verdachte geen adres is opgegeven waaraan de kennisgeving kan worden gedaan, maar de opsporingsambtenaar door raadpleging van BRP-gegevens wel een actueel adres van de verdachte kan achterhalen, moet de kennisgeving naar dat adres worden verzonden.

3.6.2Nu uit de onder 3.2.3 weergegeven stukken blijkt dat van de verdachte op het moment dat de politie het resultaat van het bloedonderzoek ontving, in de BRP een adres in Polen stond geregistreerd, heeft het hof miskend dat de kennisgeving naar dat adres in Polen had kunnen en moeten worden verzonden. Dat de verdachte op dat moment niet was ingeschreven op een adres in Nederland, leidt daarbij niet tot een ander oordeel.

The post Bekendmaking uitslag bloedonderzoek had naar GBA-adres in Polen gestuurd kunnen worden appeared first on Advocaat Verkeersstrafrecht.

]]>
https://www.advocaat-verkeersstrafrecht.nl/bekendmaking-uitslag-bloedonderzoek-had-naar-gba-adres-in-polen-gestuurd-kunnen-worden/feed/ 0